Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 5 juni 2018
ECLI:NL:GHSHE:2018:2371
werkneemster/werkgeefster
Feiten
Werkneemster is sinds 1 september 2006 bij werkgeefster in dienst. Op 25 juli 2013 heeft werkneemster zich ziek gemeld met zwangerschapsgerelateerde klachten. Werkneemster heeft aangegeven niet deel te kunnen nemen aan het voorgestelde traject. De reden daarvan is onder meer reisafstand en frequentie. Werkgeefster wijst werkneemster er onder meer op dat als zij niet zelf kan rijden zij gebruik van het openbaar vervoer kan maken. Werkneemster heeft op 20 oktober 2014 haar werkzaamheden niet hervat. Op 21 oktober 2014 heeft het UWV aan werkneemster geschreven dat een deskundigenoordeel niet mogelijk is, omdat werkneemster een Ziektewetuitkering ontvangt. Ten behoeve van die uitkering is de mate van arbeidsongeschiktheid al vastgesteld en is een deskundigenoordeel niet meer nodig. Werkgeefster heeft op 3 november 2014 aan werkneemster en het UWV meegedeeld dat een loonstop wordt ingevoerd wegens niet nakomen van re-integratieverplichtingen. Werkgeefster heeft op 14 november 2014 een ontslagaanvraag bij het UWV ingediend. Het UWV heeft op 18 november 2014 aan werkneemster meegedeeld dat een 100% korting op de Ziektewetuitkering zal worden doorgevoerd, omdat werkgeefster het loon heeft stopgezet. Werkneemster gaat hiertegen in bezwaar. De arbeidsdeskundige concludeert dat werkneemster volgens zowel de bedrijfsarts als de verzekeringsarts op 20 oktober 2014 belastbaar was voor passende arbeid en dat zij in staat was mee te werken aan haar re-integratie. Werkneemster heeft daaraan onvoldoende meegewerkt. Op 21 mei 2015 verleent het UWV de toestemming om de arbeidsovereenkomst met werkneemster op te zeggen, hetgeen werkgeefster doet. Na een voorgenomen besluit heeft het UWV op 27 juli 2015 een beslissing op het bezwaar van werkneemster tegen korting van de Ziektewetuitkering genomen. Het UWV heeft de beslissing van 18 november 2014 herroepen omdat de verzekeringsarts heeft geoordeeld dat geen sprake is van verwijtbaar niet meewerken aan re-integratie. In de eerste aanleg vorderde werkneemster onder meer een schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:681 lid 1 BW (oud). Bij het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter de vordering van werkneemster afgewezen. Werkneemster komt hiertegen in hoger beroep.
Oordeel
Werkneemster stelt dat zij zo goed en kwaad zij kon heeft geprobeerd het normale leven na haar bevallingsverlof weer op te pakken en te re-integreren, maar dat haar gezondheidssituatie dat haar niet toestond. Het hof overweegt dat werkgeefster zich bij haar ontslagaanvraag heeft gebaseerd op de haar destijds bekende stukken betreffende de mogelijkheden tot re-integratie, waaronder het arbeidsdeskundig onderzoek door Advize. Deze stukken duiden er alle op dat die mogelijkheden er waren. Rekening houdend met de beperkingen en klachten is voor werkneemster een re-integratieschema opgesteld waarbij zij diende te re-integreren in eigen werkzaamheden. Gesteld noch gebleken is dat werkneemster het UWV of werkgeefster voorafgaand aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst op de hoogte heeft gesteld van de onderzoeken en behandelingen van een medisch specialist. Gelet op het voorgaande heeft werkneemster onvoldoende onderbouwd dat haar ontslag berust op een valse reden. De zogenoemde vervoersproblematiek stond naar het oordeel van het hof aan de re-integratie van werkneemster niet in de weg. Van werkneemster had wat dit aangaat een actievere opstelling mogen worden verwacht. Van een kennelijk onredelijk ontslag vanwege het gevolgencriterium is naar het oordeel van het hof geenszins sprake. Ten tijde van ontslag was werkneemster eenendertig jaar oud en negen jaar in dienst bij werkgeefster. De arbeidsmarktpositie van werkneemster was niet dermate ongunstig, dat werkgeefster niet tot opzegging had kunnen overgaan zonder in strijd te handelen met de norm van goed werkgeverschap. Hier komt bij dat uit de overgelegde medische stukken volgt dat de kansen voor werkneemster op herstel van haar ziekte groot waren zodat zij weer volledig arbeidsgeschikt zou worden. De slotsom is dat hetgeen werkneemster heeft aangevoerd niet tot het oordeel kan leiden dat er sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag.