Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 19 juni 2018
ECLI:NL:GHDHA:2018:1435

werknemer/werkgever

Geen schending wederindiensttredingsvoorwaarde omdat kernwerkzaamheden ex-werknemer en nieuwe werknemers niet (helemaal) overeenkomen. Bovendien sprake van andere regio’s en afwijkingen in salaris.

Feiten

Werknemer is bij werkgever in dienst als kandidaat-gerechtsdeurwaarder tegen een brutosalaris van 4.818,68 euro per maand. Nadat werkgever een ontslagvergunning van het UWV heeft verkregen zegt hij de arbeidsovereenkomst met werknemer op. Aan de ontslagvergunning is de voorwaarde verbonden dat werkgever binnen een periode van 26 weken geen werknemer in dienst neemt voor werkzaamheden van dezelfde aard, zonder dat hij werknemer in de gelegenheid stelt zijn werkzaamheden tegen de bij werkgever gebruikelijk voorwaarden te hervatten (hierna: wederindiensttredingsvoorwaarde). Binnen voornoemde periode treden A en B bij werkgever in dienst als kandidaat-gerechtsdeurwaarder. Werknemer stelt dat de wederindiensttredingsvoorwaarde is geschonden en roept daarom de vernietigbaarheid van het ontslag in en maakt aanspraak op doorbetaling van zijn salaris (met dien verstande dat zijn salaris van zijn huidige (nieuwe) werkgever daarvan wordt afgetrokken). De kantonrechter wijst de vordering af omdat volgens hem geen sprake is van werkzaamheden van dezelfde aard.

Oordeel

Onder werkzaamheden van dezelfde aard dient te worden verstaan de vroegere dan wel, voor zover de functie niet meer exact hetzelfde is, bijvoorbeeld een andere naam heeft gekregen of op onderdelen enigszins gewijzigd is, een uitwisselbare functie, dat wil zeggen een functie die naar inhoud, vereiste kennis en vereiste competenties vergelijkbaar en naar niveau en beloning gelijkwaardig is. Tegen die achtergrond is het allereerst van belang om te kijken naar de functies, zoals omschreven in de arbeidsovereenkomsten van betrokkenen. Volgens deze functieomschrijvingen lag het primaat van het werk van werknemer bij het verrichten van ambtshandelingen als kandidaat-gerechtsdeurwaarder en lag het zwaartepunt van de functies van A en B bij incassowerk. De vraag is vervolgens of de inzet van A en B wat betreft het verrichten van ambtshandelingen dient te worden beschouwd als van gelijke aard als de inzet van werknemer, omdat het verrichten van ambtshandelingen tot de kerntaak van werknemer behoorde. Uit een overgelegd repertorium blijkt niet alleen dat A en B in absolute aantallen aanzienlijk minder ambtshandelingen verrichten dan werknemer deed, maar is tevens aannemelijk dat daarmee veel minder tijd is gemoeid dan werknemer besteedde aan dat deel van zijn werk. Opgeteld bij de omstandigheid dat ook het niveau van de salarissen van A en B (respectievelijk 3.250 euro en 2.900 euro bruto per maand) aanzienlijk lager lag dan dat van werknemer, alsmede het feit dat de ambtshandelingen van A en B in andere regio’s werden verricht dan die van werknemer, komt het hof tot de slotsom dat de functie van werknemer enerzijds en de functies van A en B anderzijds qua inhoud zodanig afwijken dat geen sprake is van werkzaamheden van dezelfde aard. Er is dus geen schending van de wederindiensttredingsvoorwaarde.