Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 17 juli 2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:3343
werknemer/Stichting GGz Centraal
Feiten
Werknemer was vanaf 15 juni 2007 in dienst van GGz Centraal. Sinds 28 juni 2016 is werknemer arbeidsongeschikt. Vanaf 22 januari 2018 is de re-integratie van werknemer gericht op het tweede spoor. Op 6 februari 2018 heeft de bedrijfsarts werknemer laten weten dat er in het kader van het tweedespoortraject een werkplek was gevonden. De bedrijfsarts adviseerde werknemer passende werkzaamheden te gaan doen in het kader van het verkrijgen van arbeidsritme. Op 15 februari 2018 heeft GGz Centraal aan werknemer laten weten dat niet aan zijn verlofverzoek voor vakantie kan worden voldaan. Op 21 februari 2018 is nog eens bevestigd dat van werknemer verwacht wordt dat hij 27 februari 2018 start met het re-integratietraject. Tot die tijd kan werknemer vakantie opnemen. Op 7 maart 2018 heeft GGz Centraal een brief aan werknemer gestuurd waarin onder meer is opgenomen dat werknemer tot op heden nog niet op zijn re-integratieplek is verschenen en dat daarom de loondoorbetaling wordt stopgezet. Werknemer is uitgenodigd voor een gesprek, maar is in verband met zijn vakantie niet verschenen. Op 12 maart 2018 heeft een bespreking plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek is werknemer op staande voet door GGz Centraal ontslagen. Werknemer verzoekt onder meer vernietiging van de opzegging en loondoorbetaling.
Oordeel
GGz Centraal heeft als werkgever de plicht om werknemer te laten opbouwen in werk en zij riskeert een loonsanctie van het UWV als zij niet voldoet aan haar verplichtingen in het kader van de re-integratie. Tegen die achtergrond begrijpt de kantonrechter dat GGz Centraal niet langer wilde wachten met het starten van passende werkzaamheden. Gezien de gang van zaken volgt de kantonrechter werknemer niet in zijn stelling dat GGz Centraal de werkzaamheden in het kader van re-integratie tweede spoor buiten zijn vakantie om had moeten organiseren. GGz Centraal heeft een loonstop aan werknemer opgelegd vanaf 7 maart 2018. Werknemer stelt dat het daarbij had moeten blijven omdat het ongeoorloofd afwezig zijn een schending van een re-integratieverplichting betreft. De kantonrechter overweegt daaromtrent als volgt. De tekst van de memorie van toelichting betreft de situatie waarin een werknemer passende arbeid weigert. Daarvan is in dit geval geen sprake. Werknemer is niet op zijn werk verschenen omdat hij van mening was dat hij vakantie mocht nemen en dat hij daarna zou kunnen beginnen met de passende arbeid. Dit is een situatie waarop de memorie van toelichting niet ziet. Mede gezien het voorgaande volgt de kantonrechter werknemer niet in zijn stelling dat rechtspraak en wetgeving in de weg staan aan het verlenen van ontslag op staande voet in de onderhavige situatie. De kantonrechter hecht er in dit geval echter belang aan dat werknemer de passende arbeid niet weigert, maar bewust en weloverwogen – zonder toestemming en ondanks meerdere waarschuwingen – is weggebleven van zijn werk, zonder zijn werkgever te laten weten dat hij niet aanwezig zou zijn. Het niet op het werk verschijnen, zoals werknemer deed, levert in de onderhavige procedure een dringende reden tot ontslag op. Het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet zal worden afgewezen, net als de loonvordering en verzochte wedertewerkstelling. Ook de subsidiair verzochte billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding worden afgewezen. De kantonrechter oordeelt dat de handelwijze van werknemer niet alleen kwalificeert als dringende reden, maar ook als ernstig verwijtbaar handelen. De reden hiervoor is gelegen in de hoeveelheid aan waarschuwingen die werknemer heeft ontvangen en het feit dat hij desondanks, zonder toestemming, op vakantie is gegaan.