Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 12 juli 2018
ECLI:NL:GHSHE:2018:3118

werkneemster/werkgever

Werkneemster niet-ontvankelijk in haar verzoek om een transitievergoeding. Verzoek te laat ingediend gelet op de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 onder b BW.

Feiten

Werkneemster was sinds 1989 op basis van de Wet Sociale Werkvoorziening in dienst van X. Bij brief van 23 november 2016 is werkneemster door X op staande voet ontslagen. Werkneemster heeft de kantonrechter onder meer verzocht het ontslag op staande voet te vernietigen en voor zover nodig de arbeidsovereenkomst te herstellen. Bij beschikking van 6 maart 2017 heeft de kantonrechter de verzoeken van werkneemster afgewezen. Werkneemster is in hoger beroep gekomen. Het Hof ’s-Hertogenbosch heeft in zijn tussenbeschikking overwogen dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is en dat het verzoek van werkneemster om de opzegging te vernietigen door de kantonrechter ten onrechte is afgewezen. Voorts heeft het hof overwogen herstel van de arbeidsovereenkomst niet opportuun te achten en voornemens te zijn ambtshalve een billijke vergoeding aan werkneemster toe te kennen. Bij e-mailbericht van 12 december 2017 aan X heeft werkneemster aanspraak gemaakt op de transitievergoeding. X heeft geen transitievergoeding betaald. Werkneemster is vervolgens de onderhavige procedure gestart. De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking overwogen dat werkneemster haar verzoek op grond van artikel 7:673 BW, gelet op de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 onderdeel b BW, te laat heeft ingediend. Werkneemster komt hiertegen in hoger beroep.

Oordeel

Werkneemster stelt dat het einde van de arbeidsovereenkomst het gevolg is geweest van de beslissing van het hof de arbeidsovereenkomst niet te herstellen. Werkneemster wist niet eerder dan na de beschikking van 9 november 2017 dat het hof de arbeidsovereenkomst niet zou herstellen en had toen pas moeten weten dat de vervaltermijn van drie maanden was begonnen. Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt vast dat de arbeidsovereenkomst van werkneemster is geëindigd door het ontslag op staande voet op 23 november 2016. Dat het hof in zijn beschikking van 9 november 2017 heeft overwogen dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, betekent niet dat het ontslag op staande voet nietig is. Het betekent dat het hof heeft vastgesteld dat niet aan de vereisten voor een ontslag op staande voet is voldaan. Het hof kan dan op grond van artikel 7:683 lid 3 BW de werkgever veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen of aan de werknemer een billijke vergoeding toekennen. De beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 24 november 2016 is in stand gebleven. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter terecht geoordeeld dat de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 onder b BW is aangevangen op 24 november 2016, de dag na het ontslag op staande voet en heeft de kantonrechter terecht geconcludeerd dat werkneemster niet-ontvankelijk is in haar verzoek.