Naar boven ↑

Rechtspraak

Stichting Pensioenfonds ABP/Vakbond voor burgers en militair defensiepersoneel c.s.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 26 juni 2018
ECLI:NL:GHAMS:2018:2123

Stichting Pensioenfonds ABP/Vakbond voor burgers en militair defensiepersoneel c.s.

Voortgezette pensioenopbouw voor gewezen deelnemers tot 62 jaar. Eindleeftijdbegunstiging is geen leeftijdsdiscriminatie. Geen verboden direct onderscheid, omdat alle gewezen werknemers van deze groep op het moment dat zij 62 worden geen recht meer hebben op voortgezette pensioenopbouw en op die datum gebruik kunnen maken van vervroegde ingang van hun opgebouwde basispensioen en FPU-basisrechten.

Feiten

Met ingang van 1 januari 2006 is de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling van kracht geworden met als doel de arbeidsparticipatie van ouderen te bevorderen door aanspraken op vervroegd pensioen te beperken en een levensloopregeling te introduceren. Een overgangsregeling biedt ruimte om de gevolgen voor bepaalde categorieën personen te verzachten. In verband daarmee hebben het ABP en het VUT-fonds het Pensioenreglement (verder ook te noemen: PR) respectievelijk het reglement Flexibel pensioen en uittreden (verder ook te noemen: FPU) per 1 januari 2006 gewijzigd en eveneens een overgangsregeling getroffen. Gedurende de periode van 1 april 1997 tot en met 31 december 2005 bevatte het PR bepalingen waarbij gewezen werknemers tot de leeftijd van 62 jaar recht hadden op (gedeeltelijke) voortgezette pensioenopbouw indien en voor zolang zij recht hadden op een ontslag- of werkloosheidsuitkering. Het ingegane invaliditeitspensioen waarop arbeidsongeschikte gewezen werknemers recht konden hebben, eindigde volgens het PR op 62-jarige leeftijd. Het College voor de Rechten van de Mens (verder ook te noemen: het College) heeft in de beslissing van 25 maart 2016, 2016-25, geoordeeld dat ABP met toepassing van de leeftijdsgrens van 62 jaar voor degenen met een ontslaguitkering verboden onderscheid op grond van leeftijd heeft gemaakt. Gedaagden zijn vakorganisaties die de belangen behartigen van werknemers en gewezen werknemers die pensioen verwerven of hebben verworven jegens het ABP. ABP meent dat het in 2.8 genoemde oordeel van het College onjuist is en wenst met het onderhavige geding de vraag of er sprake is van verboden leeftijdsonderscheid aan de burgerlijke rechter voor te leggen in de vorm van een verklaring voor recht dat van verboden onderscheid geen sprake is.

Oordeel

De eerste vraag die het hof moet beantwoorden is of de beperking van de pensioenopbouw voor gewezen werknemers met een ontslaguitkering tot de leeftijd van 62 jaar op grond van de WGBLA verboden direct onderscheid naar leeftijd oplevert omdat een persoon op grond van leeftijd op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie. Het College heeft vastgesteld dat een gewezen werknemer met een ontslaguitkering na het bereiken van zijn 62-jarige leeftijd geen pensioen meer opbouwt, terwijl een jongere gewezen werknemer met een ontslaguitkering die na 1 januari 2015 62 wordt wel pensioen opbouwt. Daarmee staat volgens het College vast dat sprake is van direct onderscheid op grond van leeftijd. Het hof is van oordeel dat het College daarbij een onjuiste maatstaf hanteert omdat – volgens het PR in de jaren 2012 tot en met 2014 – alle gewezen werknemers met een ontslaguitkering recht hadden op voortgezette pensioenopbouw tot de leeftijd van 62 jaar en derhalve geen sprake was van het ongelijk behandelen van gelijke gevallen. Dat de regeling op 1 januari 2015 is gewijzigd kan er niet toe leiden dat er met terugwerkende kracht in de jaren 2012 tot en met 2014 sprake is van direct onderscheid naar leeftijd. Concluderend is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval slechts sprake is van één groep van na 1949 geboren onvrijwillig werkloze werknemers, die recht heeft op een ontslag- of werkloosheidsuitkering, met voortgezette pensioenopbouw zo lang zij recht hebben op een ontslag- of werkloosheidsuitkering of korter als zij eerder 62 jaar worden. Die eindleeftijd levert geen direct leeftijdsonderscheid op omdat alle gewezen werknemers van deze groep op het moment dat zij 62 jaar worden (of eerder als hun recht op uitkering eerder eindigt) geen recht meer hebben op voortgezette pensioenopbouw en op die datum gebruik kunnen maken van vervroegde ingang van hun opgebouwde basispensioen en FPU-basisrechten. Zelfs indien het in 4.4 besproken oordeel van het College – dat sprake is van verboden leeftijdsonderscheid in de groep van na 1949 geboren onvrijwillig werkloze werknemers, die recht hebben op een ontslag- of werkloosheidsuitkering, omdat voortgezette pensioenopbouw eindigt als zij 62 jaar worden als zij dan nog recht hebben op een ontslag- of werkloosheidsuitkering – juist zou zijn, is het hof – anders dan het College – van oordeel dat het stellen van de leeftijdsgrens objectief gerechtvaardigd is, omdat sprake is van een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Daarmee is voldaan aan het vereiste in artikel 7 lid 1, onder c, WGBLA. Uit hetgeen het hof onder 4.4 en 4.6 heeft overwogen volgt dat het gemaakte onderscheid ten opzichte van andere gewezen werknemers ook passend en noodzakelijk is gegeven de door het ABP aangevoerde onderbouwing van het eerste hiervoor beschreven doel. Anders dan VBM en NPB is het hof van oordeel dat de onderbouwing van het onderscheid voor en na 1 januari 2006 vergelijkbaar is.