Rechtspraak
Klip B.V./werknemer
Feiten
Werknemer is werkzaam bij Klip sinds 1 augustus 2006 in de functie van monteur/lasser. Werknemer kreeg de opdracht om zich bij het bedrijf BASF in De Meern te melden en daar aan de slag te gaan. Werknemer heeft geweigerd bij BASF te gaan werken waarop hij is gesommeerd om de sleutels van zijn werkauto in te leveren. Op 24 januari 2018 heeft N. werknemer weer de opdracht gegeven om naar BASF toe te gaan. Werknemer heeft dit opnieuw geweigerd. Op 26 januari 2018 heeft Klip een brief naar werknemer gestuurd. Klip heeft werknemer verzocht op maandagmiddag 29 januari 2018 contact op te nemen met N. Op 30 januari 2018 heeft werknemer zich ziek gemeld bij Klip. Op 31 januari 2018 heeft de door werknemer ingeschakelde adviseur S. een brief geschreven aan Klip. S. is het niet eens met de verwijten die Klip in haar brief van 26 januari 2018 richting werknemer heeft gemaakt en verzoekt de communicatie voortaan via haar te laten verlopen. Op 16 februari 2018 heeft Klip werknemer opgeroepen om bij Klip op gesprek te komen. Werknemer is niet op het gesprek op 20 februari 2018 verschenen waardoor Klip per 21 februari 2018 de loondoorbetaling aan werknemer heeft stopgezet. Op 9 mei 2018 heeft het UWV zijn deskundigenoordeel uitgebracht en daarin geoordeeld dat werknemer zijn eigen werk kon doen. De door werknemer uitgevoerde re-integratie-inspanningen zijn niet voldoende bevonden door het UWV. Bij brief van 25 mei 2018 heeft de gemachtigde van Klip werknemer uitgenodigd voor een gesprek op 28 mei 2018 zonder dat zijn gemachtigde daarbij aanwezig is, omdat de gemachtigde ook in het ontbindingsverzoek verweer zou gaan voeren. Ook heeft de gemachtigde van Klip meegedeeld dat Klip niets voelt voor mediation. Klip heeft verzocht de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden.
Oordeel
Verwijtbaar handelen of nalaten (e-grond)
De kantonrechter is van oordeel dat werknemer zich niet heeft gehouden aan zijn re-integratieverplichtingen, want de bedrijfsarts heeft op 14 februari 2018 gezegd dat werknemer en Klip met elkaar in gesprek moeten gaan. Klip heeft werknemer vervolgens meerdere keren uitgenodigd voor een gesprek, maar werknemer is niet gekomen. Het weigeren van werknemer om met Klip in gesprek te gaan, kan – gelet op het advies van de bedrijfsarts en omdat werknemer geen goede reden had om dit gesprek te weigeren – worden aangemerkt als verwijtbaar handelen of nalaten als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder e BW. Voor een geslaagd beroep op artikel 7:669 lid 3 onder e BW is echter ook vereist dat het verwijtbaar handelen of nalaten van werknemer zodanig is dat van Klip in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daar is in onderhavige zaak geen sprake van en daartoe wordt als volgt overwogen. Werknemer heeft in april zijn huidige gemachtigde in de arm genomen die bij brief van 24 april 2018 heeft verzocht om het loon door te betalen, maar ook heeft voorgesteld om conform het advies van de bedrijfsarts een mediationtraject op te starten, zodra werknemer daartoe medisch gezien in staat is. Uit deze brief blijkt dat werknemer dus weer bereid was om mee te werken aan zijn re-integratie, zodat vanaf dat moment geen sprake meer was van een situatie als bedoeld in artikel 7:660a BW.
Verstoorde arbeidsverhouding (g-grond)
Klip heeft subsidiair verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding. Werknemer heeft erkend dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en ermee ingestemd dat de arbeidsovereenkomst op die grond wordt ontbonden. Gelet hierop zal de arbeidsovereenkomst worden ontbonden op grond van artikel 7:669 lid 3 onder g BW. De verzochte billijke vergoeding wordt afgewezen.
Tegenverzoek: loonvordering
De kantonrechter is van oordeel dat Klip terecht op 21 februari 2018 het loon van werknemer heeft stopgezet, omdat hij niet in gesprek wilde met Klip. Hierdoor heeft hij niet voldoende meegewerkt aan zijn re-integratieverplichtingen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen had van werknemer verwacht mogen worden dat hij met Klip in gesprek zou gaan en had hij geen geldige reden om dit te weigeren. Klip mocht derhalve stoppen met het betalen van het loon aan werknemer. Op 24 april 2018 is er echter sprake van een kantelpunt, omdat de gemachtigde van werknemer in de brief van die datum aangeeft dat werknemer wel met Klip een mediationtraject wil opstarten. De kantonrechter is daarom van oordeel dat werknemer vanaf 24 april 2018 weer aanspraak heeft op loon en Klip dat aan hem moet betalen. Omdat Klip het loon van werknemer te laat heeft betaald heeft werknemer recht op verhoging van het loon op grond van artikel 7:625 BW. In de omstandigheden van deze zaak ziet de kantonrechter aanleiding de wettelijk verhoging te matigen tot 10%.