Naar boven ↑

Rechtspraak

X./Nederland Werksaam Coöperatie U.A.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 29 augustus 2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:3995

X./Nederland Werksaam Coöperatie U.A.

Ondanks schriftelijke 'arbeidsovereenkomst' tussen coöperatie en een van haar leden geen arbeidsovereenkomst aangenomen. De rechten en verplichtingen die partijen jegens elkaar hebben, zijn met name geregeld in het huishoudelijk reglement.

Feiten

In verband met de problematische situatie waarin het bedrijf van X. zich bevond en omdat een WSNP-traject de enige mogelijkheid leek om haar schulden te kunnen saneren, heeft ‘Over Rood’ haar in contact gebracht met Werksaam, een door mevrouw [B] opgerichte coöperatie die zich ten doel stelt om kleine ondernemers die het hoofd (tijdelijk) niet boven water kunnen houden de mogelijkheid te bieden hun eerdere bedrijfsactiviteiten binnen de coöperatie voort te zetten, in de verwachting dat zij na verloop van tijd het zelfstandig ondernemerschap weer aankunnen. Teneinde tot WSNP-schuldsanering te kunnen worden toegelaten, zou X. zich, als zij met Werksaam in zee zou gaan, moeten laten uitschrijven bij de Kamer van Koophandel en gedurende het WSNP-traject geen zelfstandig ondernemer meer zijn. De verwachting van partijen was dat X. dan in aanmerking zou komen voor een bijstandsuitkering. Partijen hebben op of omstreeks 31 juli 2017 ook een overeenkomst, aangeduid als ‘Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd’, gesloten, waarbij is bepaald dat X. met ingang van 1 augustus 2017 voor de duur van 12 maanden, in de functie van ‘medewerker hondenuitlaatservice’ bij Werksaam in dienst trad. X. vordert onder meer achterstallig loon van Werksaam.

Oordeel

Nu X. haar vordering baseert op het bestaan van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 BW, moet worden beoordeeld of inderdaad tussen partijen een arbeidsovereenkomst in de zin van deze wetsbepaling heeft bestaan. Het onderhavige geval wordt hierdoor gekenmerkt dat partijen hun rechtsverhouding niet alleen in een als ‘Arbeidsovereenkomst’ aangeduide overeenkomst hebben geregeld, maar ook hebben vormgegeven als een lidmaatschap van X. van de coöperatie, waarop de gesloten ledenovereenkomst en de daarin geïncorporeerde statuten en het huishoudelijk reglement van Werksaam van toepassing zijn. Waar X. haar vordering eenzijdig heeft gebaseerd op de als ‘Arbeidsovereenkomst’ aangeduide overeenkomst, ziet zij hieraan ten onrechte voorbij. De rechten en verplichtingen die partijen jegens elkaar hebben, zijn met name geregeld in bedoeld huishoudelijk reglement. De betalingen die Werksaam aldus voor de door X. verrichte werkzaamheden ontving, werden geadministreerd op een zogenoemde ledenrekening ten name van X. Mede gezien de aard en doelstelling van Werksaam, om (gewezen) ondernemers die het niet lukt om op eigen kracht hun bedrijf rendabel te maken, en het aan haar zijde ontbreken van enige kennis van of ervaring met de uiteenlopende bedrijfsactiviteiten van haar leden, volgt uit deze regeling van de onderlinge rechten en verplichtingen dat partijen bij het sluiten van hun overeenkomsten, in onderlinge samenhang bezien, niet voor ogen heeft gestaan dat X. in dienst van Werksaam zou treden. Integendeel: X. bleef onverminderd het bedrijfsrisico van tegenvallende inkomsten dragen. X. heeft zich in dit verband beroepen op het arrest van de Hoge Raad van 12 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2653). Anders evenwel dan in het onderhavige geding tussen X. en Werksaam het geval is, stond tussen de coöperatie van sekswerkers en haar leden vast dat het bij het aangaan van het lidmaatschap de uitdrukkelijke bedoeling van beide partijen was dat de prostituées in dienst van de coöperatie zouden treden. Genoemd arrest brengt daarom niet mee dat voor de toepassing van artikel 7:610 BW geen betekenis meer toekomt aan hetgeen partijen bij het sluiten van hun overeenkomst(en) voor ogen stond. Naast de vaststelling dat X. en Werksaam van meet af aan geen arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW voor ogen heeft gestaan, duidt ook de wijze waarop zij in de maanden augustus en september 2017 feitelijk aan de overeenkomst uitvoering en inhoud hebben gegeven erop dat hun overeenkomst(en), in onderlinge samenhang bezien, als een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aan te merken. De kantonrechter wijst de vordering af.