Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 5 september 2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:4299
werknemer/werkgever
Feiten
Werknemer is van 12 januari 2015 tot en met 14 september 2016 als timmerman in dienst geweest van werkgever, die een bouw- en aannemingsbedrijf exploiteert. Artikel 14 onder a van de arbeidsovereenkomst luidt: ‘De CAO voor de Bouwnijverheid 2011-2015 is op deze arbeidsovereenkomst van toepassing.’ Voorafgaand aan het dienstverband hebben partijen niet met elkaar besproken hoe werknemer de afstand tussen zijn woning en het werk zou overbruggen en heeft werkgever geen vervoermiddel aangewezen, als bedoeld in artikel 50 lid 2 van de cao. Eiser vordert onder meer achterstallig loon, reiskostenvergoeding en betalingen voor ten behoeve van werkgever gekochte bouwmaterialen. Werkgever vordert in reconventie zijnerzijds onder meer dat werknemer wordt veroordeeld om aan hem te voldoen enkele bedragen betreffende bouwmaterialen en gereedschappen.
Oordeel
Nu de in dit geding relevante bepalingen van deze cao gelijkluidend zijn aan die van de cao Bouw & Infra 2015-2017, waarop beide partijen zich in dit geding beroepen, houdt de kantonrechter het ervoor dat partijen laatstgenoemde (nieuwe) cao in hun arbeidsovereenkomst hebben willen incorporeren, en aldus aan het incorporatiebeding toch een dynamisch karakter hebben willen geven. Aan de door werkgever gestelde, maar door werknemer betwiste, afspraak dat geen reiskostenvergoeding zou worden betaald, komt dan geen relevantie toe, omdat in de arbeidsovereenkomst geen voorbehoud is gemaakt ten aanzien van het bepaalde in artikel 50 van de cao. Voor de beoordeling van de vordering tot betaling van reiskostenvergoeding draait het om de uitleg van artikel 50 van de cao Bouw & Infra 2015-2017. Uit het bepaalde in artikel 50 van de cao moet, naar genoemde objectieve maatstaven gemeten, worden afgeleid dat een werknemer als werknemer, die dagelijks in totaal meer dan 15 kilometer moet reizen om van zijn woning naar het werk en weer terug te komen, recht heeft op een reiskostenvergoeding en dat bij de bepaling van de hoogte van die vergoeding de kosten van het reizen met openbaar vervoer in de laagste klasse tot uitgangspunt dienen, tenzij de werknemer naar het oordeel van de werkgever gebruik moet maken van een ander dan een openbaar vervoermiddel (in welk geval recht bestaat op een hogere vergoeding). Partijen hebben voorafgaand aan de indiensttreding van werknemer niet gesproken over het door hem voor het woon-werkverkeer te gebruiken vervoermiddel. Werkgever heeft kennelijk geen reden gezien om af te wijken van de hoofdregel van artikel 50 lid 3 van de cao. Werknemer heeft er dan ook niet op mogen vertrouwen dat, als hij zijn eigen auto zou gebruiken, zijn reiskosten overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 50 zouden worden vergoed à € 0,32 per gereden kilometer. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van werknemer op het bepaalde in artikel 50 lid 4 van de cao niet kan slagen. Hierop stuit de integrale toewijzing van de gevorderde reiskostenvergoeding af. Werknemer heeft slechts recht op een reiskostenvergoeding waarvan de hoogte wordt bepaald door de kosten van het reizen per openbaar vervoer in de laagste klasse, zoals het derde lid van artikel 50 bepaalt. De vordering tot betaling van het bedrag van € 66,49 netto voor aangeschafte bouwmaterialen wordt afgewezen. Voor toewijzing ervan is niet, zoals werknemer meent, voldoende dat werkgever dit bedrag in zijn correspondentie van 9 november, 2016, 13 februari en 28 april 2017 niet uitdrukkelijk heeft weersproken. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen tot het bij de hoogte van het toewijsbare deel van de hoofdvordering behorende forfaitaire tarief, zijnde € 576,16. Niet in geschil is dat werknemer gehouden is de koopsom van de bouwradio, die hij voor rekening van werkgever heeft aangeschaft, aan werkgever te voldoen. De vordering tot betaling van gereedschap, bouwmaterialen en -kleding, tot het bedrag van € 1.410,63 (inclusief btw), wordt afgewezen voor zover deze het door werknemer erkende bedrag van € 86,35 (exclusief btw) te boven gaat. De gevorderde vergoeding voor een set handgereedschap wordt afgewezen. Anders dan in de door werkgever overgelegde verklaring van 24 april 2017 is gesteld, heeft werkgever kennelijk bij aanvang van het dienstverband op 12 januari 2015 geen handgereedschap aan werknemer verstrekt.