Rechtspraak
UWV/werkneemster
Feiten
Werkneemster is op 28 september 1987 bij (de rechtsvoorgangers van) UWV in dienst getreden. Sinds 2013 is werkneemster werkzaam in een (nieuwe) functie als gevolg van een reorganisatie. Bij brief van 30 september 2014 is werkneemster aangesproken op haar functioneren. Er is een verbetertraject ingezet. In februari 2015 heeft werkneemster een overall matige beoordeling gekregen van haar functioneren in 2014. Door de matige beoordeling wordt vanuit UWV aangestuurd op een formeel verbetertraject voor de duur van vier maanden. Werkneemster is voor een periode van vijf maanden gedetacheerd naar de UWV-locatie te Utrecht om het verbetertraject te doorlopen. Aan het einde van het traject is het UWV tot de conclusie gekomen dat werkneemster, hoewel zij haar best doet en op punten verbetering laat zien, het niet in zich heeft. Nadat werkneemster tot 30 juni 2016 arbeidsongeschikt is geweest, is zij in contact gebracht met het loopbaancentrum van het UWV, dat in september 2016 een plan van aanpak heeft opgesteld. Om de mogelijkheden van werkneemster te vergroten, is UWV akkoord gegaan met het verzoek van werkneemster om op kosten van UWV een hbo-vervolgmodule personeelsmanagement te volgen. In augustus 2017 heeft werkneemster zelf een mogelijkheid gevonden om op basis van detachering bij de Gemeente Rotterdam aan de slag te gaan. Het interne herplaatsingstraject is daarmee geëindigd en ze is vanaf augustus 2017 voor de duur van één jaar gedetacheerd. Deze detachering is echter voortijdig, in april 2018, door de Gemeente Rotterdam geëindigd. UWV verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de d-grond.
Oordeel
Op basis van de door UWV overgelegde stukken is voldoende komen vast te staan dat werkneemster zich in haar functie in de haar daarvoor gegunde tijd onvoldoende heeft verbeterd. Gelet op het feit dat werkneemster in reactie op de eindevaluatie van het verbetertraject heeft aangegeven 'ik wil dan ook graag van werk naar werk binnen UWV', kan worden vastgesteld dat werkneemster zelf ook geen vertrouwen meer had in een alsnog adequaat functioneren. In zoverre bestaat er een redelijke grond voor opzegging. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn echter de inspanningen die UWV heeft gepleegd om invulling te geven aan zijn herplaatsingsverplichting te gering geweest. In dit verband is allereerst van belang dat UWV een grote organisatie is, waardoor de mogelijkheden om een werknemer te herplaatsen groter zijn dan wanneer er sprake is van een klein bedrijf. Hoewel vastgesteld kan worden dat werkneemster op verschillende vacatures is gewezen en dat zij ook in meer of mindere mate is ondersteund bij de sollicitaties, is dit niet voldoende. UWV had in het kader van zijn herplaatsingsverplichting meer de regie moeten voeren, door werkneemster niet alleen mee te laten draaien in de sollicitatieprocedures op gelijke voet als iedere willekeurige andere sollicitant, maar haar ook feitelijk een kans te bieden om (een van) deze openstaande functie(s) te verrichten, al dan niet in de vorm van een proefplaatsing. Dit klemt temeer nu werkneemster reeds lang bij UWV in dienst is en in dat verband zwaardere eisen aan de inspanningen van UWV mogen worden gesteld om op die wijze ontslag te voorkomen. Overigens betekent het voorgaande niet dat UWV in het geval een, gelet op opleiding en ervaring in principe, passende plaatsing uiteindelijk toch niet succesvol blijkt, op dat moment dan nog steeds onvoldoende inspanningen tot herplaatsing heeft gedaan. Nu de inspanningen van UWV in hoofdzaak beperkt zijn gebleven tot het aanbieden van tests, vaardigheidstraining en sollicitatiebegeleiding van algemene aard, kan niet gezegd worden dat UWV een actieve inbreng heeft gehad in het herplaatsingstraject en ook zélf onderzoek heeft gedaan naar herplaatsingsmogelijkheden. De verzochte ontbinding wordt afgewezen.