Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 27 november 2018
ECLI:NL:GHDHA:2018:3198
werknemer/Progeco Holland B.V.
Feiten
Werknemer is op 1 april 2013 bij Progeco Holland B.V. (hierna: Progeco) in dienst getreden en was laatstelijk werkzaam in de functie van Operationeel Manager. Progeco is een containerbedrijf gevestigd in de Rotterdamse haven. Werknemer is op 29 augustus 2017 om 00.00 uur aangehouden op het terrein van Progeco op verdenking van betrokkenheid bij cocaïnesmokkel. Werknemer heeft vervolgens vier maanden in voorlopige hechtenis gezeten. Na zijn voorlopige vrijlating heeft Progeco werknemer de gelegenheid geboden een verklaring te geven voor het gebeurde. Op 30 januari 2018 is werknemer door Progeco op staande voet ontslagen, omdat hij onvoldoende uitleg had gegeven. Op 26 juli 2018 is werknemer veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar, kort samengevat vanwege het medeplegen van de invoer van twee partijen cocaïne van 310 en 385 kilogram en voorbereidingshandelingen daartoe. In eerste aanleg heeft de kantonrechter geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Werknemer is in hoger beroep gekomen.
Oordeel
Rechtsgeldig ontslag op staande voet
Werknemer is veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf, zodat het hof bewezen acht dat werknemer zich inderdaad schuldig heeft gemaakt aan cocaïnehandel. Bij deze stand van zaken is het hof van oordeel dat Progeco werknemer op staande voet mocht ontslaan. Dat werknemer in hoger beroep is gekomen van het vonnis in de strafzaak kan hieraan niet afdoen. Voor zover werknemer aanvoert dat het ontslag niet onverwijld is gegeven geldt het volgende. Nadat de voorlopige hechtenis was beëindigd heeft Progeco werknemer vrijwel direct geconfronteerd met de verdenking en hem de gelegenheid gegeven zijn aanwezigheid op het bedrijventerrein in de bewuste nacht van de aanhouding te verklaren. Dit kon of wilde hij niet, waarop Progeco direct en dus onverwijld is overgegaan tot het ontslag op staande voet.
Recht op loon (art. 7:628 BW)
Werknemer vordert loon over de periode van 16 januari 2018 en 30 januari 2018. In deze periode was werknemer niet langer in voorlopige hechtenis en heeft hij zich beschikbaar gesteld voor het verrichten van werkzaamheden. Progeco heeft hem niet toegelaten tot het verrichten van zijn werk. Het hof overweegt in dit kader als volgt. Uit de beschikking van 13 juli 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1209, r.o. 3.9.2 en 3.9.3, Wilco) blijkt naar het oordeel van het hof dat de regel uit Van der Gulik/Vissers, kort gezegd dat een schorsing of op non-actiefstelling een oorzaak is die in redelijkheid voor rekening van de werkgever dient te komen, ook indien de werknemer aanleiding heeft gegeven tot de maatregel, nog steeds van kracht is. Dit betekent dat werknemer over de periode na zijn ontslag uit detentie en voor het ontslag op staande voet, in welke periode hij geen werkzaamheden heeft verricht, wel recht heeft op loon. De omstandigheden waarnaar Progeco verwijst, waaronder dat redelijkerwijs niet verwacht behoefde te worden dat zij werknemer binnen haar bedrijf te werk stelde gedurende deze periode waarin zij onderzoek verrichtte, gelet op de ernst van de strafrechtelijke verdenking die er lag en het feit dat die verdenking gerelateerd is aan de werkzaamheden van werknemer bij Progeco, kunnen niet leiden tot een ander oordeel.