Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 13 november 2018
ECLI:NL:GHAMS:2018:4183
werkneemster/ABN AMRO Bank N.V.
Feiten
Werkneemster is van 1 april 2000 tot 1 september 2017 bij ABN AMRO in dienst geweest. Werkneemster is op 23 mei 2012 wegens ziekte uitgevallen. Aan haar is met ingang van 12 mei 2014 een WIA/WGA-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Werkneemster heeft vanaf december 2014 passende arbeid verricht op re-integratiebasis. Zij is per 1 november 2016 opnieuw uitgevallen. De arbeidsovereenkomst is door ABN AMRO per 1 september 2017 opgezegd wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Op de betreffende arbeidsovereenkomst was de ABN AMRO CAO van toepassing. Werkneemster heeft aan de ABN AMRO geschillencommissie de vraag voorgelegd of de in de cao beschreven regeling een gelijkwaardige voorziening betreft zoals bedoeld in artikel 7:673b BW. De geschillencommissie heeft deze vraag bevestigend beantwoord. De waarde van de vanaf mei 2014 tot en met augustus 2018 aan werkneemster toegekende vergoedingen op grond van de hierboven genoemde cao-regeling bedraagt € 42.329,43 bruto ter zake van de WIA-suppletie en € 75.123,88 ter zake van de kosten pensioenopbouw, bij elkaar € 117.453,31 (bruto). Ten tijde van het ontslag van werkneemster op 1 september 2017 bedroeg de waarde van de desbetreffende voorzieningen € 31.546,95 bruto respectievelijk € 57.787,60 en daarmee in totaal € 89.334,55 (bruto). Werkneemster heeft in eerste aanleg onder meer verzocht om toekenning van een transitievergoeding van € 37.372, omdat de cao-voorzieningen niet als gelijkwaardige voorziening kunnen worden aangemerkt. De kantonrechter heeft het verzoek afgewezen. Werkneemster komt hiertegen in hoger beroep.
Oordeel
De cao-voorziening kent aan werknemers met een WIA-uitkering vanaf het derde jaar van ziekte een suppletie toe en houdt tevens in dat vanaf dat moment de pensioenopbouw voor 75% en zonder werknemersbijdrage zal worden voortgezet, beide voorzieningen ook na beëindiging van het dienstverband. Het opzegverbod gedurende ziekte eindigt na twee jaar. Vanwege deze bepalingen zal een werkgever het dienstverband met een werknemer in de regel trachten te beëindigen wanneer de werknemer twee jaar ziek is en herstel al dan niet is te verwachten. De cao-regeling in geding kent aan werknemers een suppletie en een premievrije voortzetting van pensioen toe na twee jaar ziekte. Aldus bestaat naar het oordeel van het hof voldoende verband tussen de cao-voorziening en, kort gezegd, een te voorzien ontslag na twee jaar ziekte. Werkneemster betoogt voorts dat de cao-voorziening tot een verboden vorm van onderscheid leidt, en daarmee in strijd is met artikel 1 Grondwet, artikel 26 Bupo-verdrag en de Wet Gelijke Behandeling Gehandicapten en Chronisch Zieken. Zij stelt daartoe dat een werknemer met een WIA-uitkering wordt geconfronteerd met een uitsluiting van zijn transitievergoeding, terwijl dat bij een gezonde andere werknemer (die geen WIA-uitkering heeft) niet gebeurt. Dit betoog faalt. De bepalingen waar werkneemster zich op beroept, verbieden het maken van (ongeoorloofd) onderscheid in gelijke gevallen. De situatie waarin werkneemster verkeert, is niet gelijk te stellen met die van een niet zieke andere werknemer. Indien een niet zieke werknemer wordt ontslagen, ontbreekt een cao-voorziening als waarvan hier sprake is. De betreffende werknemer ontvangt dan een transitievergoeding. Werkneemster ontvangt echter een vergoeding met een waarde die reeds ten tijde van de beëindiging van het dienstverband aanzienlijk hoger was. Haar situatie is daarmee niet te vergelijken met die van een niet-WIA-gerechtigde. Ook in zoverre faalt de grief. De slotsom is dat de grieven niet tot vernietiging kunnen leiden.