Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 28 november 2018
ECLI:NL:RBMNE:2018:5893
werkgeefster/bewindvoerder
Feiten
Werkneemster is op 9 januari 2008 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij werkgeefster in de functie van tandartsassistente. Op 6 maart 2018 heeft werkneemster zich ziek gemeld. In het advies van de bedrijfsarts is opgenomen dat werkneemster arbeidsongeschikt is en is daarnaast geadviseerd het contact tussen werkgeefster en werkneemster goed te onderhouden. Vervolgens heeft werkneemster in de periode tussen april en augustus 2018 diverse malen verzuimd de bedrijfsarts te bezoeken en heeft zij meerdere malen nagelaten telefonisch contact op te nemen met werkgeefster. Werkgeefster heeft werkneemster verschillende malen gesommeerd contact op te nemen en heeft het loon van werkneemster opgeschort. Op 5 september 2018 heeft het UWV een deskundigenoordeel afgegeven met de conclusie dat werkneemster onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Werkgeefster verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst, primair vanwege verwijtbaar handelen, subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding.
Oordeel
Verwijtbaar handelen (e-grond)
De kantonrechter is met werkgeefster van oordeel dat werkneemster verwijtbaar heeft gehandeld. Werkneemster heeft immers niet in voldoende mate voldaan aan de verzoeken om contact op te nemen en is de afspraken met de bedrijfsarts meerdere malen niet nagekomen. Een re-integratietraject kon door haar toedoen daarom niet worden ingezet terwijl zij daar wel schriftelijk toe is aangemaand. De bewindvoerder van werkneemster heeft ook niet ontkend dat dit anders is geweest. Hierdoor is vast komen te staan dat werkneemster onvoldoende heeft gedaan om weer aan het werk te komen. Daarnaast heeft werkgeefster een verklaring van een arbeidsdeskundige van het UWV meegestuurd waarin staat dat werkneemster niet voldoende doet om weer aan het werk te komen. Werkgeefster heeft dan ook gedaan wat van haar verwacht kon worden. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden.
Ernstig verwijtbaar handelen
De bewindvoerder van werkneemster heeft aangevoerd dat werkneemster sinds november 2017 op straat leeft waardoor haar tijd vooral uitgaat naar het vinden van onderdak. Ook heeft zij psychische problemen. Zij is erg afhankelijk van haar partner en er zijn aanwijzingen dat zij het slachtoffer is van geweld. De bewindvoerder vraagt de kantonrechter dan ook rekening te houden met deze omstandigheden. Deze omstandigheden zijn door werkgeefster niet betwist. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat werkneemster in een voor haar benarde en allesoverheersende situatie verkeert waarop zij, ondanks de hulp van maatschappelijk werk, op dit moment weinig invloed kan krijgen. Van ernstig verwijtbaar handelen is pas sprake wanneer de werknemer uit vrije wil en met opzet verwijtbaar handelt en daarbij weet dat hij de werkgever tekort doet. Door wat de bewindvoerder heeft gezegd over de leefwereld van werkneemster is de rechter er niet van overtuigd geraakt dat werkneemster uit vrije wil en dus opzettelijk haar verplichtingen niet is nagekomen. De situatie van werkneemster is op dit moment zodanig dat dit gevolgen heeft voor haar functioneren en er kan worden aangenomen dat zij niet steeds goed in staat is haar belangen op de juiste manier te behartigen en de juiste keuzes te maken. De kantonrechter vindt het daarom begrijpelijk dat werkneemster onvoldoende oog heeft gehad voor het belang van haar verplichting tot re-integreren; het door haar niet meewerken daaraan is weliswaar verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar. Daarbij is mede van belang dat werkneemster al tien jaar bij werkgeefster werkzaam is en dat niet is gebleken dat sprake was van eerdere problemen. De transitievergoeding blijft dan ook verschuldigd.