Naar boven ↑

Rechtspraak

Federatie Nederlandse Vakbeweging c.s./Nedtrain B.V.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 16 januari 2019
ECLI:NL:RBMNE:2019:406

Federatie Nederlandse Vakbeweging c.s./Nedtrain B.V.

Uitleg overgangsregeling VUT en pensioen. Uit de tekst van de regeling volgt dat niet bedoeld is een feitelijk inkomensniveau na het bereiken van de 65-jarige leeftijd te garanderen. Vorderingen FNV afgewezen.

Feiten

Werknemers zijn allen in dienst geweest van Nedtrain of NS Reizigers B.V. (hierna: NSR) en tezamen worden deze vennootschappen hierna ‘NS’ genoemd. Op de arbeidsovereenkomsten tussen partijen was een ondernemings-cao van toepassing. Tot 1 januari 1999 hadden de NS-werknemers de mogelijkheid om vervroegd uit dienst te treden. Waar de pensioenleeftijd volgens de toenmalige pensioenregeling 65 jaar was, konden zij bij het bereiken van de leeftijd van 61 jaar, of – eerder – na veertig dienstjaren, met de VUT gaan. Met ingang van 1 januari 1999 is deze VUT-regeling beëindigd en vervangen door een pensioenregeling op grond waarvan werknemers op 61-jarige leeftijd met pensioen konden. Voor werknemers die vóór het bereiken van de 61-jarige leeftijd veertig dienstjaren hadden, werd in de cao een overgangsregeling in het leven geroepen, genaamd ‘Overgangsregeling VUT en pensioen’ (hierna: de OVUT40-regeling) die het voor hen mogelijk maakte om, na het bereiken van 40 dienstjaren, tot en met 2015 eerder te stoppen met werken. Lid acht van de OVUT40-regeling bepaalt als volgt: ‘De uitkering voor deelnemers aan deze overgangsregeling heeft vanaf 65 jaar een minimale hoogte van 70% van het laatst genoten bruto-inkomen in actieve dienst.’ FNV en werknemers vorderen een verklaring voor recht dat de OVUT40-regeling aldus moet worden uitgelegd dat uit de tekst van het artikel volgt dat de werknemers, nu inmiddels hun AOW-leeftijd is verhoogd, er recht op hebben dat Nedtrain althans NSR hun, ook na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar en zolang zij nog geen AOW ontvangen, een uitkering doet toekomen waarmee hun inkomen is gegarandeerd tot ten minste 70% van het laatstelijk in actieve dienst genoten bruto-inkomen.

Oordeel

Het gaat in dit geding om de vraag of Nedtrain en NSR hun verplichtingen uit de OVUT40-regeling, zoals die in de op de arbeidsovereenkomsten van partijen toepasselijke cao 2005-2007 was opgenomen, jegens verschillende werknemers alsook tegenover de FNV als cao-partij, correct zijn nagekomen. Met partijen gaat de kantonrechter ervan uit dat de werknemers aan de cao gebonden zijn en dat de rechtsverhouding van partijen wordt geregeerd door hetgeen omtrent de OVUT40-regeling bepaald is in de cao 2005-2007. Partijen twisten over de uitleg van die cao-bepaling. Niet in geschil is echter dat de OVUT40-regeling moet worden uitgelegd volgens de zogenoemde cao-uitlegnorm. De strekking van de OVUT40-regeling moet mede worden bepaald aan de hand van de andere leden van het artikel. Dan valt op dat de regeling moet worden bezien in het licht van de financieringsachtergrond ervan. Deze is in het derde en vierde lid van de OVUT40-regeling opgenomen. Daaruit blijkt dat de OVUT40-regeling de strekking heeft om de betrokken werknemers in staat te stellen eerder te stoppen met werken, en wel doordat NS een deel van de te verwachten gevolgen die het vervroegen van de pensioeningangsdatum heeft, voor haar rekening neemt. Het gaat dus slechts om een gedeeltelijke compensatie van de gevolgen van het eerder stoppen met werken. Uit het derde en vierde lid van de OVUT40-regeling blijkt voorts dat uit het achtste lid niet blijkt dat de OVUT40-regeling bedoeld is als een garantie van een toekomstig inkomensniveau van 70% van het laatstelijk in actieve dienst genoten inkomen. Uit de woorden van het artikel volgt dat niet bedoeld is een feitelijk inkomensniveau na het bereiken van de 65-jarige leeftijd te garanderen. Kennelijk strekt de garantie niet verder dan dat bij de berekening van het te financieren kapitaal het op dat berekeningsmoment verwachte toekomstige inkomen tot uitgangspunt wordt genomen. Aldus is de uitleg van de cao die FNV en werknemers voorstaan, niet aannemelijk. De kantonrechter wijst derhalve de vorderingen af.