Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 5 februari 2019
ECLI:NL:GHSHE:2019:397
werknemer/werkgeefster
Feiten
Werknemer is vanaf 1 december 2008 werkzaam geweest als verpleegkundige in het ziekenhuis X. Bij brief van 24 december 2011 is werknemer door werkgeefster geschorst in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. Bij brief van 31 oktober 2012 heeft het Openbaar Ministerie de zaak tegen werknemer geseponeerd. Op 13 december 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen werkgeefster en werknemer over de wijze waarop gewerkt kon worden aan een werkhervatting nu werknemer ten onrechte als verdachte was aangemerkt. Tussen partijen is een arbeidsconflict ontstaan. Bij beschikking van 25 juli 2014 is de arbeidsovereenkomst tussen partijen op verzoek van werkgeefster ontbonden. Werknemer heeft in eerste aanleg bij de kantonrechter gevorderd voor recht te verklaren dat werkgeefster onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en dat werkgeefster wordt veroordeeld tot vergoeding van alle schade. Bij vonnis van 28 september 2016 heeft de rechtbank de vorderingen van werknemer afgewezen. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in hoger beroep.
Oordeel
Het hof verwerpt het standpunt van werknemer dat inschakeling van de bedrijfsrecherche onrechtmatig is, omdat sprake was van een vermoeden van een strafbaar feit en de politie had moeten worden ingeschakeld. Er bestond geen verplichting voor werkgeefster om de politie in te schakelen, omdat het niet duidelijk was of sprake was van een strafbaar feit. Zij was gerechtigd om de bedrijfsrecherche in te schakelen teneinde duidelijkheid te krijgen over wat er in het ziekenhuis heeft plaatsgevonden. Door inschakeling van een professioneel bureau heeft werkgeefster niet onrechtmatig jegens werknemer gehandeld. Evenmin is sprake geweest van handelen in strijd met het goed werkgeverschap. Werknemer betoogt verder dat de rechtbank, bij de beoordeling of het onderzoek door de bedrijfsrecherche onzorgvuldig is geweest, ten onrechte voorop heeft gesteld dat de politie zelfstandig de afweging maakt of een persoon als verdachte moet worden gekwalificeerd. Werknemer stelt dat het oordeel over het onderzoek door de bedrijfsrecherche onafhankelijk van het oordeel van de politie dient plaats te vinden. Het hof verwerpt deze stelling: de beoordeling van de (on)zorgvuldigheid van het onderzoek moet worden geplaatst in het kader van de door werknemer gestelde vorderingen. De vorderingen van werknemer zijn in beginsel eerst toewijsbaar als werknemer schade heeft geleden als gevolg van het handelen van werkgeefster in strijd met goed werkgeverschap of onrechtmatig handelen van haar. Het OM heeft aangegeven waarom werknemer destijds als verdachte is aangemerkt. Het is juist deze beslissing van de politie/het OM die heeft geleid tot de hier in het geding zijnde schade. Deze beslissing om iemand als verdachte aan te merken is voorbehouden aan de politie/het OM. Vaststaat dat werknemer als gevolg van het feit dat hij verdachte werd in een strafzaak schade heeft geleden en dat het werkgeefster is geweest die informatie aan de politie/het OM heeft verstrekt. De politie/het OM heeft de beschikking gekregen over de onderzoeksbevindingen van de bedrijfsrecherche en ook over de wijze waarop de fotoconfrontatie heeft plaatsgevonden. Gesteld noch gebleken is dat de door de bedrijfsrecherche opgenomen verklaringen van de betrokken patiënte een onjuiste weergave ervan betreffen. Wat overblijft, is dat de door de bedrijfsrecherche geïnitieerde fotoconfrontatie niet is uitgevoerd volgens de eisen die de politie en het OM voor het houden van een, door de politie zelf uit te voeren, fotoconfrontatie hanteren. Dit maakt de door de bedrijfsrecherche uitgevoerde fotoconfrontatie nog niet onrechtmatig jegens werknemer. Werkgeefster handelt niet onrechtmatig dan wel in strijd met goed werkgeverschap jegens werknemer en is dus ook niet aansprakelijk voor de schade die werknemer heeft geleden als gevolg van het feit dat hij vervolgens op grond van deze informatie als verdachte is aangemerkt.