Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 5 december 2018
ECLI:NL:RBNHO:2018:11608
werknemer/de naamloze vennootschap Martinair Holland N.V.
Feiten
Werknemer is van 1 januari 1990 tot 1 januari 2015 in dienst geweest bij Martinair. Martinair heeft te maken gekregen met overbezetting en om gedwongen ontslagen te voorkomen heeft zij in overleg met de VNV een pakket aan maatregelen (hierna: ‘de VVR 2014’) uitgerold, waaronder de vrijwillige vertrekregeling. De Belastingdienst heeft kenbaar gemaakt dat voor zover een vrijwillig vertrekkende werknemer een uitkering mee krijgt die (nagenoeg) uitsluitend dient ter overbrugging tot aan het pensioen, de regeling voor deze werknemer in beginsel kwalificeert als een RVU (Regeling voor Vervroegde Uittreding). Martinair heeft in de VVR 2014 opgenomen dat de beëindigingsregeling geldt onder het voorbehoud dat deze op basis van de toetsingscriteria van de Belastingdienst niet wordt aangemerkt als RVU. Werknemer heeft zich aangemeld voor deelname aan de VVR. Door Martinair wordt kenbaar gemaakt dat toepassing van de VVR in zijn geval tot een RVU zou leiden, zijn beëindigingsvergoeding zal om deze reden € 471.454,21 bruto bedragen in plaats van € 656.079,24 bruto. Nadat werknemer een en ander had uitgezocht met zijn fiscalist heeft hij nogmaals aangegeven zich te willen aanmelden om gebruik te maken van de VVR-regeling. Martinair heeft ditmaal de beëindigingsvergoeding vastgesteld op € 441.917,25 bruto. Tussen partijen wordt een vaststellingsovereenkomst gesloten met daarin de beëindigingsvergoeding en finale kwijting. Martinair heeft ten aanzien van een aantal andere vliegers bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de Belastingdienst om de vertrekregelingen aan te merken als RVU en vervolgens beroep aangetekend bij de Belastingkamer. Ten aanzien van werknemer is geen bezwaar gemaakt, omdat het aan hem uitgekeerde bedrag onder het maximale bedrag viel. De Belastingkamer heeft geoordeeld dat de regeling niet kan worden aangemerkt als RVU. Werknemer vordert nu onder meer uitbetaling van € 228.593,84. Ter onderbouwing stelt werknemer dat de vaststellingsovereenkomst een leemte bevat, omdat na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst is komen vast te staan dat de RVU-regeling niet van toepassing was op de VVR 2014 als gevolg waarvan hij akkoord is gegaan met een lagere beëindigingsvergoeding. Subsidiair stelt werknemer dat sprake is van dwaling. Martinair voert verweer.
Oordeel
Aanspraak aanvullende vergoeding
Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of werknemer ondanks de inhoud van de vaststellingsovereenkomst toch aanspraak maakt op een aanvullende vergoeding. De kantonrechter oordeelt dat werknemer geen aanspraak kan maken op de vergoeding overeenkomstig de VVR. De inhoud van de vaststellingsovereenkomst staat daaraan in de weg. De uitleg van de vaststellingsovereenkomst dient plaats te vinden overeenkomstig het Haviltexcriterium. De RVU-problematiek is voorafgaand aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst veelvuldig tussen partijen besproken en werknemer heeft zich laten adviseren door een fiscalist. Werknemer was (mede gezien zijn opleidings- en salarisniveau) in staat zich van deskundige bijstand te voorzien en mocht ermee bekend worden verondersteld dat er tegen het besluit van de Belastingdienst een hogere voorziening openstond. Daarnaast is er een finalekwijtingbeding opgenomen. Werknemer heeft ervoor gekozen vrijwillig te vertrekken en om de vaststellingsovereenkomst te tekenen zonder enig voorbehoud. De kantonrechter wijst de vordering van werknemer dan ook af.
Dwaling
Ook de vordering van werknemer tot (partiële) vernietiging van de vaststellingsovereenkomst op grond van dwaling treft geen doel. Werknemer stelt dat Martinair na de vrijwillige ontslagronde alsnog een gedwongen reorganisatie heeft doorgevoerd waarbij een zogenoemde 10% doelmatigheidsmarge is toegepast, die inhield dat Martinair 10% mocht afwijken van het afspiegelingsbeginsel. Bij een gedwongen reorganisatie is RVU-korting niet aan de orde. Werknemer stelt dat hij bij goede voorstelling van zaken voor de 10% doelmatigheidsmarge zou hebben gekozen. Dit betoog faalt. Onweersproken heeft Martinair aangevoerd dat op het moment dat werknemer gebruikmaakte van de vrijwillige vertrekregeling geen sprake was van gedwongen ontslag waarbij de RVU-heffingen niet aan de orde zijn.