Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/CDDN B.V.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 5 februari 2019
ECLI:NL:RBNHO:2019:700

werknemer/CDDN B.V.

Verzoek tot vernietiging opzegging wegens strijd met het opzegverbod tijdens ziekte wordt afgewezen omdat niet is gebleken dat werkneemster ten tijde van de aanvraag bij het UWV arbeidsongeschikt was.

Feiten

Werkneemster is op 1 november 2008 in dienst getreden bij CDDN, laatstelijk in de functie van commercieel administratief medewerker. Op 14 februari heeft werkneemster zich ziek gemeld en vervolgens op 28 februari weer hersteld gemeld. Op 9 maart 2018 is het verzoek van CDDN om de arbeidsovereenkomst op te zeggen bij het UWV binnengekomen. Op 14 maart heeft werkneemster zich wederom ziek gemeld. De bedrijfsarts heeft geoordeeld dat geen sprake was van arbeidsongeschiktheid. Het UWV heeft bij besluit van 3 mei 2018 aan CDDN toestemming gegeven voor opzegging van de arbeidsovereenkomst. Daarbij heeft het UWV overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn waaruit blijkt dat werkneemster arbeidsongeschikt was op het moment dat het UWV de ontslagaanvraag ontving. Het opzegverbod is daarom niet van toepassing, aldus het UWV. Met ingang van 1 september 2018 heeft CDDN de arbeidsovereenkomst opgezegd. Werkneemster heeft bij het UWV een deskundigenoordeel aangevraagd. Hierbij is geoordeeld dat werkneemster op 14 maart het eigen werk niet kon verrichten. Werkneemster verzoekt de opzegging te vernietigen wegens strijd met het opzegverbod tijdens ziekte.

Oordeel

CDDN voert aan dat het opzegverbod zoals genoemd in artikel 7:670 lid 1 BW niet van toepassing is nu de arbeidsongeschiktheid een aanvang heeft genomen nadat het verzoek tot opzegging van de arbeidsovereenkomst bij het UWV was ingediend. Werkneemster stelt dat zij zich door CDDN onder druk gezet voelde om zichzelf hersteld te melden. Werkneemster heeft echter geen feiten of omstandigheden kunnen noemen, waaruit kan worden dit kan worden afgeleid. Ook de stelling van werkneemster dat haar ziekmelding van 14 maart 2018 moet worden gezien als een doorlopende ziekte wordt niet gevolgd. Zoals CDDN terecht opmerkt, ziet artikel 7:629 lid 10 BW op de loondoorbetalingsverplichting; daaruit kan een doorlopende periode van arbeidsongeschiktheid niet worden afgeleid. Werkneemster legt voorts aan haar verzoek ten grondslag dat voor CDDN voldoende duidelijk was of moest zijn dat zij een burn-out had en dus arbeidsongeschikt was omdat zij sinds november 2017 herhaaldelijk ziek is geweest. Louter deze ene ziekmelding wegens griep duidt niet op iets anders dan griep, en meer heeft werkneemster niet gesteld. Ook anderszins is niet gebleken van meer dan die ziekmelding, en herstelmelding, voorafgaand aan het indienen van het verzoek tot verlening van een ontslagvergunning. Ook de overgelegde rapportages van de verschillende artsen duiden daarop niet. Ook deze grondslag kan het verzoek dus niet dragen. De stelling van werkneemster dat CDDN zich niet als goed werkgever heeft gedragen door niet tijdig mee te werken aan een second opinion wordt evenmin gevolgd. Niet alleen blijkt dit nergens uit, ook kan dit niet tot het oordeel leiden dat werkneemster op 8 maart 2018, dus ten tijde van indiening door CDDN van het verzoek aan het UWV, arbeidsongeschikt was. Gelet op het voorgaande wordt het verzoek tot vernietiging van de arbeidsovereenkomst afgewezen.