Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 21 februari 2019
ECLI:NL:RBLIM:2019:1635
werknemer/life source international trading B.V. c.s.
Feiten
Werknemer is op 5 oktober 2009 bij (de niet in deze procedure betrokken B.V.) GP International in dienst getreden als Area Sales Manager voor de Turkse en Arabische markt. In 2012 zijn de exportactiviteiten ondergebracht in een aparte, zelfstandig opererende juridische entiteit: Life Source International Trading B.V. (hierna: LSIT). Met ingang van 1 juli 2012 is werknemer krachtens arbeidsovereenkomst met LSIT de functie van Area Sales Manager voor de Turkse en Arabische markt gaan vervullen, tegen een loon van laatstelijk € 8.862 bruto per maand exclusief vakantiebijslag en emolumenten. Op 17 augustus 2018 is werknemer geïnformeerd dat er een ontslagaanvraag wegens bedrijfseconomische redenen bij het UWV was ingediend. Daarna heeft hij zich ziek gemeld en zijn werkplek verlaten. Het UWV heeft de ontslagaanvraag van LSIT op 16 augustus 2018 ontvangen. Op 12 november 2018 heeft het UWV LSIT toestemming verleend de arbeidsovereenkomst met werknemer op te zeggen. De arbeidsovereenkomst is opgezegd per 31 december 2018. Werknemer verzoekt thans primair herstel van de arbeidsovereenkomst en subsidiair onder meer betaling van een transitievergoeding en een billijke vergoeding.
Oordeel
Opzegverbod tijdens ziekte
Niet in geschil is dat werknemer zich op 13 augustus 2018 ziek heeft gemeld, maar dat hij op 14, 15 en 16 augustus 2018 zijn reguliere werkzaamheden voor LSIT heeft hervat. Beslissend voor de vraag of er een opzegverbod tijdens ziekte geldt, is de vraag of de werknemer op het moment van indiening van de ontslagaanvraag bij het UWV ziek was. Dat is hier niet het geval. Werknemer heeft zich (weer) ziek gemeld nadat hij door LSIT op de hoogte was gebracht van de ingediende ontslagaanvraag. Dit maakt dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst op deze grond niet vernietigbaar is.
Opzegging
Uit de in de ontslagaanvraag bij het UWV gegeven toelichting blijkt dat GP International in 2009 is gestart met het project export naar Turkije en Arabische landen en dat die activiteiten in 2012 bij LSIT zijn ondergebracht. Uit de door LSIT overgelegde financiële overzichten over de jaren 2012 tot en met 2018, blijkt dat dit project gedurende die jaren alleen maar verlieslatend is geweest. Als onweersproken gesteld staat verder vast dat er slechts eenmaal een FSC is verstrekt door de NVWA, in 2012. Desalniettemin heeft LSIT erop gewezen dat ook in 2012, ondanks die ene verstrekte FSC, een verlies is geleden van € 147.989. De door LSIT gegeven verklaring dat export en verkoop niet van de grond kwam doordat er nadien geen FSC’s meer werden verstrekt, komt de kantonrechter niet onaannemelijk voor. Onder deze omstandigheden is het besluit van LSIT om in 2018 te stoppen met het project export Turkije en andere Arabische landen begrijpelijk en redelijk. LSIT heeft de kantonrechter voldoende inzicht verschaft in de door haar gemaakte keuzes en die keuzes ook voldoende verantwoord en onderbouwd. Geconcludeerd moet worden dat sprake is van een redelijke grond voor opzegging van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub a BW. Ten aanzien van de door werknemer gestelde onjuiste afspiegeling overweegt de kantonrechter dat de unieke functie van werknemer is komen te vervallen, zodat afspiegeling niet aan de orde is en de ontslagvolgorde juist is toegepast. Herplaatsing binnen de groep waartoe LSIT behoort binnen een redelijke termijn is volgens de kantonrechter niet mogelijk. Het verzoek om herstel van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen.
Vergoedingen
Door LSIT is niet weersproken dat werknemer aanspraak kan maken op de transitievergoeding, zodat dit tussen partijen vaststaat. Dat die transitievergoeding € 28.710 bruto bedraagt, is niet door LSIT betwist. LSIT wordt veroordeeld tot betaling van voornoemd bedrag. De verzochte billijke vergoeding mist een grondslag en wordt derhalve afgewezen.