Naar boven ↑

Rechtspraak

Werknemer/Stichting Sint Elisabeth-Tweesteden Ziekenhuis & Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 30 april 2019
ECLI:NL:GHSHE:2019:1614

Werknemer/Stichting Sint Elisabeth-Tweesteden Ziekenhuis & Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn

Het Ziekenhuis heeft werknemer terecht niet aangemeld bij het Pensioenfonds, omdat hij niet viel binnen de werkingssfeer. Werknemer was in 1980/1981 in dienst als assistent-geneeskunde in opleiding, hetgeen inhoudt dat zijn functie een tijdelijk karakter had, aldus het hof.

Feiten

Werknemer is na een loopbaan als neurochirurg thans met pensioen. Werknemer heeft pensioen opgebouwd bij het ABP. Van 1 mei 1980 tot 1 juli 1981 heeft werknemer bij het Ziekenhuis gewerkt. Het Ziekenhuis viel in 1980/1981 binnen de werkingssfeer van het pensioenfonds. In het pensioenreglement was opgenomen dat het reglement van toepassing is op ‘werknemers verbonden aan de onder A van dit artikel genoemde instellingen, met uitzondering van de werknemers die tijdelijk aan een aangesloten instelling verbonden zijn in een funktie, welke een tijdelijk karakter heeft’. Op 31 december 1969 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kort gezegd in een verplichtstellingsbeschikking het Pensioenfonds verplicht gesteld voor werknemers verbonden aan particuliere verplegingsinrichtingen. Aan werknemer is medegedeeld dat hij in de periode dat hij bij het Ziekenhuis werkte uitgesloten was van deelname in de pensioenregeling, omdat hij als assistent-geneeskundige in opleiding was. Werknemer vordert kort gezegd het Ziekenhuis te veroordelen hem bij het Pensioenfonds aan te melden voor de periode van 1 mei 1980 tot 1 juli 1981 en de verschuldigde premies af te dragen en het Pensioenfonds te veroordelen om hem de pensioenopbouw toe te kennen. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. Werknemer komt hiertegen in hoger beroep.

Oordeel

In het geding tussen werknemer en het pensioenfonds gaat het over de vraag of werknemer op grond van de verplichtstellingsbeschikking gedurende de periode van 1 mei 1980 tot 1 juli 1981 deelnemer was van het pensioenfonds en dus aanspraak kan maken op opgebouwd pensioen. Het geschil spitst zich toe op de uitleg van de verplichtstellingsbeschikking. Het gaat erom of werknemer als AGIO tijdelijk aan het ziekenhuis was verbonden in een functie die een tijdelijk karakter had. Het hof zal dit aanduiden als het dubbele tijdelijkheidscriterium. Nu vaststaat dat werknemer tijdelijk in dienst was bij het ziekenhuis, spitst het geschil zich toe op de vraag of de functie van AGIO een tijdelijk karakter had. Op de uitleg is de cao-norm van toepassing. Het hof overweegt dat uit de tekst niet eenduidig blijkt waarop het tijdelijk karakter van de functie betrekking heeft. Het hof is van oordeel dat de tekst zich richt tot de individuele werknemer. In dit geval is het de individuele werknemer die een opleiding doet. Het verrichten van het samenstel van werkzaamheden door die werknemer is er steeds op gericht dat dit eindigt bij het voltooien (of het afbreken) van de opleiding en het is dus per definitie tijdelijk. De uitleg vindt steun in de verplichtstellingsbeschikking. Hier komt bij dat het hof de rechtsgevolgen van de uitleg, die meebrengt dat artsen in opleiding tot medisch specialist in de jaren zeventig van de vorige eeuw niet als deelnemer van het pensioenfonds worden aangemerkt, aannemelijk acht. De in hoger beroep ingestelde vorderingen tegen het pensioenfonds worden afgewezen. Ten aanzien van de vorderingen tegen het Ziekenhuis oordeelt het hof dat sprake is van verjaring. Deze vorderingen worden eveneens afgewezen.  

  • Advocaten: A.W. Cramer en T. Huijg
  • Onderwerpen: Pensioen
  • Trefwoorden: verjaring, pensioenfonds, pensioenreglement, tijdelijk karakter van functie, dubbele tijdelijkheidscriterium, cao-norm, uitleg pensioenreglement en verplichtstellingsbeschikking