Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 3 oktober 2017
ECLI:NL:GHSHE:2017:4194
Werknemer/Stichting Sint Elisabeth-Tweesteden Ziekenhuis & Stichting Pensioenfonds Zorg en Welzijn
Feiten
Werknemer is van 1 mei 1980 tot 1 juli 1981 in dienst geweest van het Ziekenhuis. Stellende dat hij ten onrechte niet in aanmerking is gebracht voor pensioenopbouw in die periode, vordert werknemer het Ziekenhuis te veroordelen hem bij het Pensioenfonds aan te melden voor de periode van 1 mei 1980 tot 1 juli 1981 en de verschuldigde premies af te dragen en het Pensioenfonds te veroordelen om hem de pensioenopbouw toe te kennen. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. Bij vonnis van dezelfde datum en met hetzelfde zaaknummer heeft de kantonrechter de vordering van het Ziekenhuis in de tussenkomst tegen werknemer en het Pensioenfonds afgewezen. Het Ziekenhuis heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Het Pensioenfonds stelt zich bij memorie primair op het standpunt dat het hem zonder meer vrijstaat te reageren op de memorie van grieven in incidenteel appel van het Ziekenhuis. Slechts voor het geval het hof van oordeel is dat dat procesrechtelijk niet zonder meer mogelijk is, dus voorwaardelijk, vordert het Pensioenfonds in het incident subsidiair zich op de voet van artikel 217 Rv te mogen voegen aan de zijde van werknemer. Beide verweerders in het incident betwisten kort gezegd dat het Pensioenfonds (voldoende) belang heeft bij de gevraagde partijvoeging.
Oordeel
De kantonrechter heeft de feiten vastgesteld die hij voor de beoordeling van zowel de vordering van werknemer tegen het Ziekenhuis als die van werknemer tegen het Pensioenfonds van belang achtte. De kantonrechter heeft aanleiding gezien de vordering tegen het Ziekenhuis en de vordering tegen het Pensioenfonds gezamenlijk te behandelen. In het kader van die gezamenlijke behandeling is de kantonrechter tot het oordeel gekomen dat werknemer op grond van het van toepassing zijnde pensioenreglement niet voor opname in het pensioenfonds in aanmerking kwam en dat het Ziekenhuis werknemer daarom terecht niet bij het Pensioenfonds heeft aangemeld. Mocht het hof in de hoofdzaak anders dan de kantonrechter tot het oordeel komen dat werknemer op grond van het van toepassing zijnde pensioenreglement wel voor opname in het pensioenfonds in aanmerking kwam, dan kan naar het oordeel van het hof niet worden uitgesloten dat de vraag relevant wordt of het Ziekenhuis werknemer al dan niet bij het Pensioenfonds heeft aangemeld. Niet aannemelijk is dat het hof in de appelzaak tegen het Ziekenhuis niet als vaststaand feit aanneemt dat geen aanmelding en premiebetaling hebben plaatsgevonden en in de appelzaak tegen het Pensioenfonds wel. Voor de hand ligt dat het hof in de hoofdzaak ten aanzien van beide vorderingen zal uitgaan van dezelfde (althans: niet-tegenstrijdige) feiten indien en voor zover die feiten voor de beoordeling van beide vorderingen van belang zijn. Dit geldt temeer indien het hof die vorderingen evenals de kantonrechter gezamenlijk zal behandelen. Naar het oordeel van het hof heeft het Pensioenfonds er voldoende belang bij om te kunnen reageren op grief I in incidenteel appel waarmee het Ziekenhuis betoogt dat de kantonrechter ten onrechte heeft aangenomen dat het Ziekenhuis werknemer niet bij het Pensioenfonds heeft aangemeld en geen premie heeft afgedragen.