Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Workers4U B.V.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 30 april 2019
ECLI:NL:GHAMS:2019:1522

werknemer/Workers4U B.V.

Werknemer niet-ontvankelijk in verzoek tot vernietiging ontslag, gelet op overschrijding vervaltermijn artikel 7:686a BW met een dag. Niet gebleken van omstandigheden dat geen effectieve bescherming tegen het ontslag bestond gelet op resterende tijd na schriftelijke bevestiging van het ontslag.

Feiten

Werknemer heeft op 1 september 2017 een uitzendovereenkomst (hierna: de overeenkomst) voor onbepaalde tijd gesloten met Workers4U B.V. Door Workers4U is hij te werk gesteld bij ENGIE-SDA Project als E&I Monteur voor 40 uur per week. Op 24 november 2017 is Workers4U failliet verklaard. De directeur van Workers4U heeft werknemer in een brief zonder datum geschreven: 'Via deze brief laat ik u weten dat uw dienstverband bij Workers4U is beëindigd per 24 november 2017 dit vanwege het faillissement van Workers4U'. De brief is als bijlage bij een e-mail van 11 december 2017 van de directeur aan werknemer gevoegd. Op 19 december 2017 is het vonnis waarbij het faillissement van Workers4U is uitgesproken in hoger beroep vernietigd. Werknemer heeft in eerste aanleg bij een op 25 januari 2018 ingediend verzoekschrift onder meer vernietiging van het ontslag verzocht. De kantonrechter heeft werknemer niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek, omdat dit, gezien de op grond van artikel 7:686a BW geldende vervaltermijn van twee maanden, niet tijdig was gedaan, nu het op 25 januari 2018 ingediende verzoek het werknemer op 24 november 2017 gegeven ontslag betrof. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in hoger beroep.

Oordeel

Mondeling gegeven ontslag

Werknemer betoogt allereerst dat de kantonrechter ten onrechte als feit heeft vastgesteld dat hem op 24 november 2017 telefonisch is medegedeeld dat hij was ontslagen. Het hof acht de mededeling van werknemer ter zitting in hoger beroep, dat er tussen hem en (een vertegenwoordiger van) Workers4U op 24 november 2017 helemaal geen (telefonisch) contact heeft plaatsgevonden, niet geloofwaardig, gelet op de door of namens werknemer veelvuldig gedane andersluidende eerdere mededelingen, gelet op het ontbreken van enige toelichting waarom thans een ander standpunt dan voorheen wordt ingenomen en gelet op de consistente verklaringen namens Workers4U dat zij werknemer op 24 november 2017 telefonisch wegens werkweigering per direct had ontslagen. Het hof gaat er daarom van uit dat er op 24 november 2017 tussen werknemer en de directeur een telefoongesprek heeft plaatsgevonden. Werknemer stelt vervolgens dat Workers4U hem in dat gesprek geen ontslag heeft gegeven, maar slechts een voornemen tot ontslag kenbaar is gemaakt. Het hof constateert dat werknemer in eerste aanleg bij herhaling heeft gesteld dat Workers4U op die dag mondeling heeft laten blijken de overeenkomst per die dag 'op te willen zeggen'. Werknemer verzocht in eerste aanleg ook 'het ontslag van 24-11-2017' te vernietigen. Hij heeft na die datum ook niet meer gewerkt. Het hof gaat er daarom van uit dat Workers4U op 24 november 2017 werknemer mondeling en per direct heeft ontslagen.

Vervaltermijn artikel 7:686a BW

Denkbaar is dat de schriftelijke bevestiging van het mondeling gegeven ontslag op een zodanig tijdstip plaatsvindt (bijvoorbeeld kort voor of zelfs na het verstrijken van de aldus met toepassing van art. 7:686a BW berekende vervaltermijn) dat de onderhavige vervaltermijn aan een effectieve bescherming tegen een ongerechtvaardigd ontslag in de weg staat, doordat niet meer voldoende tijd resteert om zich tegen dat ontslag te verweren. Dat van een dergelijke situatie sprake is, is door werknemer niet aangevoerd, laat staan onderbouwd. Te rekenen vanaf 11 december 2017, de datum waarop hij de schriftelijke bevestiging van het ontslag ontving, resteerden voor werknemer ruim zes weken om een verzoekschrift als het onderhavige in te dienen. Werknemer heeft niet betoogd dat die termijn voor hem te kort was om zich tegen het ontslag effectief te kunnen verweren. Meer in het bijzonder heeft hij niet uitgelegd waarom hij eerst op 25 januari 2018 het verzoekschrift kon indienen, en niet een dag eerder. Het voorgaande betekent dat op 25 januari 2018, de datum dat het verzoekschrift tot vernietiging van het op 24 november 2017 gegeven ontslag werd ingediend, de daarvoor geldende vervaltermijn was verstreken. De kantonrechter heeft werknemer daarom op goede gronden in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaard.