Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Acacia Water B.V.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 17 mei 2019
ECLI:NL:GHDHA:2019:1129

werknemer/Acacia Water B.V.

Toewijzing ontbindingsverzoek wegens ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding houdt stand in hoger beroep. Geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen door werkgever of werknemer doordat werknemer gegevens niet wilde afgeven. Arbeidsverhouding was al langer verstoord.

Feiten

Werknemer is op 1 februari 2014 bij Acacia Water B.V. (‘Acacia’) in dienst getreden. Op de arbeidsovereenkomst van partijen was een concurrentie- en relatiebeding van toepassing. Bij e-mail van 17 december 2017 heeft werknemer Acacia bericht dat hij het dienstverband met Acacia wenst te beëindigen. Werknemer heeft zich op 16 januari 2018 ziek gemeld. In het kader van het vertrek van werknemer heeft Acacia ten aanzien van projecten waarop werknemer werkzaam (geweest) was, werknemer om gegevens gevraagd om die projecten te kunnen afronden dan wel voort te zetten. Werknemer heeft met een beroep op auteursrechtelijke (dan wel IE-rechtelijke) bescherming afgifte van de gegevens geweigerd. Acacia heeft de kantonrechter in eerste aanleg verzocht om de arbeidsovereenkomst per de eerst mogelijke datum te ontbinden, primair op grond van artikel 7:686 BW, subsidiair wegens ernstig verwijtbaar handelen van werknemer en meer subsidiair wegens een verstoorde arbeidsverhouding met werknemer. De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst van partijen ontbonden per 1 juni 2018 wegens een verstoorde arbeidsverhouding en werknemer een transitievergoeding van € 7.446 toegekend. Het verzoek van werknemer gebaseerd op artikel 7:653 lid 4 en 5 werd afgewezen. Verder heeft de kantonrechter werknemer veroordeeld tot afgifte van de gegevens. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in hoger beroep.

Oordeel

Het hof volgt werknemer niet in zijn stelling dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Acacia. Duidelijk is dat er aan de kant van werknemer grote onvrede is ontstaan over de wijze waarin Acacia opereerde. Zelfs al zou Acacia zich commerciëler opstellen dan door werknemer wenselijk of uit wetenschappelijk oogpunt acceptabel werd geacht, dan leidt dat niet tot ernstige verwijtbaarheid jegens werknemer. Van handelen jegens werknemer dat duidelijk in strijd is met goed werkgeverschap is niet gebleken. Uit niets blijkt dat Acacia werknemer werkzaamheden heeft laten verrichten waarvan Acacia wist of moest begrijpen dat die zodanig indruisten tegen een maatschappelijk gedeelde beroepsethiek die behoorde bij de functie van werknemer, dat deze in redelijkheid niet van werknemer konden worden gevergd. Werknemer heeft ook nog betoogd dat de wijze waarop Acacia met de verstoorde arbeidsrelatie is omgegaan eveneens ernstig verwijtbaar is. Ook dit betoog kan niet leiden tot hetgeen werknemer voor ogen staat. Wat er van dat handelen ook zij, zoals werknemer ook zelf al gesteld heeft: de arbeidsrelatie van partijen was al ernstig verstoord toen werknemer zijn e-mail van 19 november 2017 schreef. Werknemer heeft onvoldoende gesteld om aannemelijk te maken dat Acacia de kwestie van de afgifte van gegevens louter heeft gebruikt om de aandacht af te leiden van de werkelijke reden van de verstoring, of om – zonder daartoe gerechtigd te zijn – mede beschikking te krijgen over de modellen en/of gegevensbestanden die aan Alterra toebehoren. Het verzoek van werknemer tot toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen. Werknemer komt ook geen beroep toe op artikel 7:653 lid 4 en 5 BW. Het verzoek ter zake van betaling van achterstallig loon en niet genoten vakantie-uren inclusief vakantietoeslag wordt toegewezen. Acacia heeft nog aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het handelen/nalaten van werknemer geen ernstige verwijtbaarheid oplevert in de zin van artikel 7:673 BW. Volgens Acacia is zij ten onrechte veroordeeld tot betaling aan werknemer van een transitievergoeding. Gelijk ook de kantonrechter heeft geoordeeld, acht het hof de gedragingen van werknemer onvoldoende ernstig om de conclusie te kunnen dragen dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen. Dit betekent dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat Acacia de transitievergoeding verschuldigd is.