Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 4 december 2018
ECLI:NL:RBNHO:2018:11780

werknemer/werkgever

Werkgever heeft erkend dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig was. Verzoek werknemer om billijke vergoeding afgewezen. Werkgever heeft, nadat hij erop was gewezen dat de opzegging niet rechtsgeldig was, werknemer aangeboden weer te komen werken.

Feiten

Werknemer is op 4 juni 2018 in dienst getreden bij werkgever als algemeen medewerker (kok) voor de duur van acht maanden. Artikel 2 van de arbeidsovereenkomst vermeldt dat de eerste maand van de arbeidsovereenkomst geldt als proeftijd. Op verzoek van werknemer is een tweede arbeidsovereenkomst opgesteld, met ingang van 1 juli 2018 voor de duur van zeven maanden tot 31 januari 2019. Werkgever heeft op 19 juli 2018 met een beroep op het proeftijdbeding de arbeidsovereenkomst opgezegd. Bij brief van 25 juli 2018 heeft werknemer aan werkgever kenbaar gemaakt dat hij berust in het einde van het dienstverband en aanspraak maakt op een vergoeding gelijk aan het loon over de periode van 20 juli tot 31 januari 2019 vermeerderd met vakantietoeslag. Werkgever heeft te kennen gegeven dat het proeftijdbeding in de tweede overeenkomst waarschijnlijk nietig is en heeft hierbij aangegeven dat hij werknemer weer te werk wil stellen als werknemer instemt met intrekking van de opzegging door werkgever. Werknemer is niet op het aanbod ingegaan. Werknemer heeft een verzoek gedaan om werkgever te veroordelen een vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 2.527,20 bruto. Verder heeft werknemer een verzoek gedaan om ten laste van werkgever een billijke vergoeding toe te kennen, op grond van artikel 7:681 lid 1 sub a BW, omdat de opzegging het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werkgever.

Oordeel

Tussen partijen is niet langer in geschil dat werkgever de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Werkgever is daarom een vergoeding wegens onregelmatige opzegging verschuldigd. Op grond van artikel 7:672 lid 10 BW is de werkgever een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. Tussen partijen is niet in geschil dat dit 1 september 2018 was. De kantonrechter zal werkgever dan ook veroordelen tot betaling hiervan.

Ten aanzien van de verzochte billijke vergoeding overweegt de kantonrechter dat uit artikel 7:681 lid 1 sub a BW volgt dat de kantonrechter een billijke vergoeding kan toekennen als de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Door op te zeggen in strijd met artikel 7:671 BW is de opzegging in beginsel ernstig verwijtbaar. Bij de toekenning van een billijke vergoeding dienen echter alle omstandigheden van het geval te worden betrokken. De kantonrechter acht in dit geval van belang dat niet is gebleken dat werkgever de arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze wilde laten eindigen. Werkgever heeft, nadat hij erop was gewezen dat de opzegging niet rechtsgeldig was, dit aan werknemer laten weten en hem direct aangeboden om weer te komen werken. Werknemer is hier niet op ingegaan. Omstandigheden op grond waarvan dit niet van hem verwacht kan worden, heeft werknemer onvoldoende gesteld. Werknemer heeft ook zelf aangegeven dat er geen sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding. Nog daargelaten dat werknemer de schade als gevolg van het ontslag verder niet heeft onderbouwd, had werknemer de gevolgen van het ontslag dus kunnen beperken. Voornoemde omstandigheden maken dat er geen sprake is van zodanig ernstig verwijtbaar handelen door werkgever dat daartegenover een billijke vergoeding dient te staan. Met de vergoeding wegens onregelmatige opzegging wordt werknemer voldoende gecompenseerd voor het handelen van werkgever. De verzochte billijke vergoeding zal dan ook worden afgewezen.