Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Breda), 22 mei 2019
ECLI:NL:RBZWB:2019:2312
werknemer/werkgever
Feiten
Werknemer is op 11 oktober 1999 in dienst getreden van werkgever. Laatstelijk was werknemer werkzaam als productiemedewerker. In januari 2018 is hem een verkeersongeval overkomen waardoor hij arbeidsongeschikt is geraakt. Vast staat dat de bedrijfsarts heeft vastgesteld op 15 juni, 7 september en 5 oktober 2018 dat werknemer in staat werd geacht gedurende 6 uur per dag aangepaste werkzaamheden te verrichten en dat het UWV heeft geoordeeld dat werknemer op 28 februari 2019 voldeed aan zijn re-integratieverplichtingen door 4 uur per dag te werken. Ook staat vast – gelet op de klokkaarten waarvan de juistheid niet door werknemer is betwist – dat hij in de maanden september, november en december 2018 en in januari 2019 gedurende een aantal dagen die aangepaste werkzaamheden niet of niet voor het volledige aantal uren heeft verricht. Werknemer vordert in kort geding loon dat werkgever over de maanden oktober, november, januari en februari (gedeeltelijk) onbetaald heeft gelaten.
Oordeel
Werkgever heeft onweersproken gesteld dat partijen zijn overeengekomen dat een deel van het loon voor de maand oktober 2018 niet zou worden betaald ter compensatie van de niet gewerkte dagen in september. Met betrekking tot de maand november heeft werknemer erkend dat hij afwezig was wegens privéproblemen en niet wegens ziekte en dat daarop de afspraak is gemaakt de niet gewerkte uren in te houden op zijn loon. Werknemer is tevens onverwijld in kennis gesteld van het feit dat zijn loon is stopgezet. Op 27 december 2018 heeft werknemer om een second opinion door een andere bedrijfsarts gevraagd. Hieruit valt geen nieuwe ziekmelding af te leiden en ook niet dat werknemer in zijn geheel niet in staat is de aangepaste werkzaamheden gedurende 6 uur per dag uit te voeren. Het had op de weg van werknemer gelegen om zich ziek te melden, maar in plaats daarvan is hij heel de maand januari 2019 niet op de werkvloer verschenen. Dit valt werknemer aan te rekenen. Werkgever heeft werknemer per e-mail gewaarschuwd dat de loonbetaling zou worden gestaakt wanneer hij niet op het werk zou verschijnen en enkele dagen later heeft werkgever werknemer bericht dat de betaling van het loon wordt ‘opgeschort’ omdat hij inderdaad niet is verschenen. Daarmee is ook voldaan aan het vereiste van de onverwijlde mededeling. Nu het UWV heeft geoordeeld dat werknemer aan zijn re-integratieverplichtingen voldeed en hij de gehele maand februari 2019 4 uur per dag werkzaam was, heeft werkgever ten onrechte een derde van het loon onbetaald gelaten. Gelet op het voorgaande is enkel de loonvordering voor de maand februari 2019 toewijsbaar. De kantonrechter veroordeelt werkgever om aan werknemer het achterstallige loon van februari 2019 te betalen.