Naar boven ↑

Rechtspraak

Blokker/werknemer
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 23 mei 2019
ECLI:NL:RBDHA:2019:5451

Blokker/werknemer

Bankafdracht van € 10.710 is niet bij de bank aangekomen. Dat werknemer uit hoofde van zijn functie verantwoordelijk was voor de financiën en hij het missende geld in handen heeft gehad is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat dit door het handelen van werknemer komt. Bewijsopdracht voor Blokker.

Feiten

Werknemer is op 1 juli 2008 in dienst getreden bij Blokker, laatstelijk in de functie van bedrijfsleider. Werknemer is als bedrijfsleider onder meer verantwoordelijk voor de bankafdracht die twee keer per week plaatsvindt. Indien werknemer niet aanwezig was door bijvoorbeeld vakantie of ziekte, werd de kassaopmaak geregeld door plaatsvervangers. Op 26 november 2018 heeft Blokker geconstateerd dat de bankafdracht van 19 november 2018 met een waarde van € 10.710 niet bij de bank van Blokker is aangekomen. Naar aanleiding hiervan heeft een gesprek met werknemer plaatsgevonden. Aan het eind van het gesprek is werknemer per direct door Blokker geschorst. Vervolgens is werknemer op 5 december 2018 op staande voet ontslagen. Daarnaast heeft Blokker aanspraak gemaakt op een gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 BW en is werknemer door Blokker aansprakelijk gesteld voor de schade ten gevolge van zijn handelen, begroot op € 10.700. Blokker verzoekt werknemer te veroordelen tot betaling aan Blokker van een bedrag van € 8.910.

Oordeel

In AR 2019-0725 is het ontslag op staande voet niet vernietigd. Dit brengt mee dat aan de voorwaarden voor de verzochte vergoeding is voldaan. Tussen partijen staat inmiddels vast dat de € 10.700 'weg' is. Blokker heeft gesteld dat werknemer er uitdrukkelijk voor heeft gekozen op 19 november 2018 op papier een bankafdracht te maken ter waarde van € 10.700 maar dit bedrag niet conform de procedures in een seal bag heeft gedaan en aan het waardetransport heeft meegegeven, waarvoor hij bewuste handelingen heeft moeten verrichten. Bij de beoordeling van dit geschilpunt geldt het uitgangspunt dat een werknemer voor door hem in de vervulling van zijn dienstbetrekking aan de werkgever toegebrachte schade eerst aansprakelijk is, indien hem ter zake een ernstig verwijt valt te maken. Naar het oordeel van de kantonrechter valt werknemer een ernstig verwijt te maken van het feit dat hij rondom de bankafdracht in vele opzichten heeft gehandeld in strijd met de door Blokker voorgeschreven handelwijze. Voor de kantonrechter staat daarmee echter niet vast dat het weg zijn van het geld daardoor is veroorzaakt. Immers, ook indien werknemer het geld wel conform de voorschriften in de seal bag in de kluis had gedaan en zich ook verder aan alle protocollen van Blokker zou hebben gehouden, was het in theorie zeer wel mogelijk voor een derde om het geld uit de kluis te halen. Er waren immers twee andere medewerkers met een kluissleutel. Gesteld noch gebleken is dat Blokker daarnaar onderzoek heeft gedaan. Daarom ziet de kantonrechter onvoldoende oorzakelijk verband tussen het verwijtbaar handelen van werknemer en de schade van Blokker. Het verzoek voor zover gebaseerd op artikel 7:661 BW wordt daarom afgewezen. Het enkele feit dat werknemer uit hoofde van zijn functie verantwoordelijk was voor de financiën en dat hij het missende geld in handen heeft gehad is onvoldoende om aan te kunnen nemen dat werknemer onrechtmatig jegens Blokker heeft gehandeld. Dit ligt anders indien vast zou komen te staan dat werknemer zich het geld heeft toegeëigend. Nu werknemer dit gemotiveerd heeft betwist, en thans niet is uit te sluiten dat een derde het geld heeft weggenomen, zal Blokker haar stelling mogen bewijzen. In afwachting daarvan wordt iedere verdere beslissing aangehouden.