Naar boven ↑

Rechtspraak

Y/Meram Rotterdam West B.V.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 16 juli 2019
ECLI:NL:GHDHA:2019:1952

Y/Meram Rotterdam West B.V.

Kantonrechter heeft ontslag op staande voet terecht vernietigd. Werkgever heeft onvoldoende bewezen dat werknemer wederrechtelijk geld heeft onttrokken aan de kas. Ontbinding wegens tot op het bot verstoorde arbeidsverhouding. Toekenning billijke vergoeding.

Feiten

Meram Rotterdam West B.V. (hierna: ‘Meram West’) maakt samen met haar zustervennootschap Meram Rotterdam Zuid B.V. (hierna: ‘Meram Zuid’) deel uit van een groep vennootschappen (hierna: ‘de Meram Groep’). Aan het hoofd van de Meram Groep staat Meram Holding B.V. (hierna: ‘Meram Holding’), waarvan de heer X de eigenaar is. Y is via verschillende constructies betrokken geweest bij de exploitatie van de door Meram West en Meram Zuid gedreven restaurants. Y is met ingang van 1 januari 2017 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst getreden bij Meram West. Zijn loon bedroeg laatstelijk € 1.239,35 bruto per maand, exclusief emolumenten. Bij brief van 1 mei 2017 heeft de advocaat van Meram Zuid en Meram West aan Y ontslag op staande voet aangezegd. Y heeft in eerste aanleg de kantonrechter verzocht het ontslag op staande voet te vernietigen en Meram West te veroordelen tot (door)betaling van het (achterstallig) loon en tot wedertewerkstelling, dit laatste op straffe van een dwangsom. De kantonrechter heeft het verzoek van Y tot vernietiging van het ontslag en tot betaling van zijn loon toegewezen. Het verzoek tot wedertewerkstelling heeft de kantonrechter afgewezen. De arbeidsovereenkomst is vervolgens op de g-grond ontbonden. Het verzoek om toekenning van een transitievergoeding is afgewezen. Wel heeft de kantonrechter aanleiding gezien voor de toekenning van een billijke vergoeding, die is vastgesteld op € 1.000 bruto. Tegen dit oordeel keren partijen zich in hoger beroep. 

Oordeel

De door Meram West overgelegde verklaring van E is onvoldoende om te concluderen dat Y wederrechtelijk geld aan de kas heeft onttrokken. Het is namelijk onduidelijk of de verklaring daadwerkelijk van E zelf afkomstig is, E is niet als getuige bij de kantonrechter verschenen om onder ede een verklaring af te leggen en uit de verklaring volgt niet, althans niet voldoende direct, dat Y ook daadwerkelijk (zelf) gelden aan Meram West heeft onttrokken. Hetgeen overigens als aangedragen bewijs resteert, rechtvaardigt ook niet de conclusie dat Y zich wederrechtelijk geld van Meram West heeft toegeëigend. Het ontslag op staande voet is terecht vernietigd. Y wordt niet gevolg in zijn stelling dat de arbeidsverhouding niet zodanig ernstig en duurzaam is verstoord dat voortzetting daarvan voor beide partijen onwenselijk en onmogelijk is en dat herplaatsing niet in de rede ligt. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt genoegzaam dat de verhoudingen tussen partijen tot op het bot verstoord zijn geraakt. Herplaatsing ligt dan ook niet in de rede. Ten aanzien van de transitievergoeding stelt werknemer dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat hem geen transitievergoeding toekomt, omdat de arbeidsovereenkomst, gelet op de ontbindingsdatum, korter dan twee jaar heeft geduurd. De kantonrechter heeft daarbij als vertrekpunt genomen 1 januari 2017, de datum waarop Y bij Meram West in dienst is getreden. Volgens Y is dit onjuist, omdat ook het dienstverband van Y bij Meram Zuid had moeten worden meegerekend. Het hof volgt Y in dit betoog. Meram West en Meram Zuid kunnen zonder meer geacht worden ten aanzien van de door Y verrichte arbeid elkaars opvolger te zijn, zodat ingevolge artikel 7:673 lid 4 sub b BW de datum waarop Y bij Meram Zuid in dienst is getreden, 1 januari 2013, in het kader van de transitievergoeding als vertrekpunt heeft te gelden. Ten aanzien van de billijke vergoeding komt in het door de kantonrechter toegekende bedrag onvoldoende tot uitdrukking dat Meram West hem op staande voet heeft ontslagen op grond van een ernstige beschuldiging die zij vervolgens niet aannemelijk heeft kunnen maken. Dit valt haar ernstig te verwijten, zeker nu de verstoorde arbeidsverhouding uiteindelijk heeft geleid tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Het hof acht een billijke vergoeding van € 3.000 bruto op haar plaats.