Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 20 juni 2019
ECLI:NL:RBNHO:2019:6516
werknemer/Bak Alkmaar B.V.
Feiten
Bak Alkmaar B.V. (hierna: Bak) is een touringcar- en reisorganisatie en aanbieder van busreizen. Bak zet daarbij chauffeurs in uit haar chauffeurspool. Werknemer is op 1 maart 2018 in dienst getreden bij Bak. De laatste functie die hij vervulde, is die van chauffeur voor 40 uur per week. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd en van rechtswege geëindigd op 28 februari 2019. De arbeidsovereenkomst is nadien niet voortgezet. Bij brief van 10 december 2018 heeft werknemer aan Bak verzocht tot betaling van het salaris over de maanden oktober en november 2018. Bij brief van 13 december 2018 is namens Bak gereageerd dat Bak niets meer van werknemer heeft vernomen na 17 oktober 2019 en dat werknemer niet is verschenen op 19 oktober 2018 om zijn werk uit te voeren. Bak geeft aan dat zij niet genoodzaakt is om salaris te betalen omdat werknemer zich op geen enkele manier beschikbaar heeft gesteld om arbeid te verrichten en er geen enkele manier van communicatie met werknemer mogelijk was. Werknemer is van mening dat hij altijd beschikbaar is geweest. Bij e-mail van 19 april 2019 heeft de gemachtigde van werknemer aan Bak verzocht om de aanzegvergoeding te betalen. Werknemer verzoekt de kantonrechter onder meer Bak te veroordelen tot de betaling van de aanzegvergoeding en het achterstallige loon.
Oordeel
Aanzegvergoeding
Vast staat dat dat Bak de aanzegverplichting in het geheel niet is nagekomen. Die verplichting is immers ontstaan op 28 januari 2019 en Bak heeft werknemer niet schriftelijk uiterlijk een maand voor het aflopen van de bepaalde tijd geïnformeerd over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat door Bak onvoldoende zwaarwegende feiten en omstandigheden zijn gesteld die meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat aan werknemer de aanzegvergoeding wordt toegekend. De omstandigheid, zoals door Bak aangevoerd, dat werknemer niet in onzekerheid kon hebben verkeerd over het einde van zijn dienstverband is onvoldoende om te oordelen dat de aanspraak op de aanzegvergoeding in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Gelet op het debat van partijen bestond er bij werknemer onduidelijkheid over de status van het dienstverband. Uit de overgelegde correspondentie en het uit de Whats-Appgroep zetten valt niet ondubbelzinnig op te maken dat het dienstverband zal worden beëindigd. Dat betekent dat Bak zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag aan loon voor één maand.
Achterstallig loon
Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende aannemelijk geworden dat werknemer zonder geldige reden en zonder ziekmelding met ingang van 19 oktober 2018 niet meer op het werk is verschenen. Dat komt voor rekening en risico van werknemer. Verder hebben partijen naar het oordeel van de kantonrechter over en weer onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij in de periode tussen 19 oktober 2018 en 20 december 2018 contact hebben opgenomen over de beschikbaarheid van werknemer om werkzaamheden te verrichten. Eerst in de brief van 21 december 2018 heeft werknemer aan Bak aangegeven dat hij beschikbaar is (geweest) voor werk. Uit deze brief had Bak kunnen afleiden dat werknemer beschikbaar was voor werk en had Bak aanleiding moeten zien om werknemer op te roepen om zijn werkzaamheden te verrichten. De keuze van Bak om werknemer niet op te roepen ligt vanaf dat moment dan ook in de risicosfeer van Bak. Bovenstaande brengt de kantonrechter tot de conclusie dat Bak voor de periode van 19 oktober 2018 tot en met 20 december 2018 geen loon aan werknemer is verschuldigd en dat Bak vanaf 21 december 2018 weer verplicht is tot doorbetaling van het loon tot het einde dienstverband op 28 februari 2019.