Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 30 juli 2019
ECLI:NL:GHAMS:2019:2825
Arvato Benelux B.V./werknemer
Feiten
Werknemer is per 22 februari 2016 door overgang van onderneming in dienst van Arvato Benelux B.V. (hierna: ‘Arvato’) getreden in de functie van Materials Specialist. Sinds 16 oktober 2013 is werknemer onafgebroken arbeidsongeschikt. Werknemer ontvangt thans een uitkering op grond van de WIA en de Toeslagenwet. Op 12 december 2017 heeft Arvato een ontslagaanvraag ingediend bij het UWV wegens langdurige arbeidsongeschiktheid van werknemer, die op 28 mei 2018 is afgewezen. Bij brief van 28 juni 2018 is werknemer op staande voet ontslagen. Werknemer heeft in eerste aanleg verzocht om het ontslag op staande voet te vernietigen. Arvato heeft verweer gevoerd en (on)voorwaardelijk verzocht om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op grond van het bepaalde in artikel 7:671b jo. 7:669 lid 1 sub e, g dan wel h BW. De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet vernietigd en overwogen dat hetgeen Arvato heeft aangevoerd niet kan leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op één van de door Arvato gestelde gronden. Het ontbindingsverzoek van is Arvato afgewezen. Tegen dit oordeel keert Arvato zich in hoger beroep.
Oordeel
Blijkens de ontslagbrief liggen aan het ontslag op staande voet ten grondslag dat werknemer hardnekkig weigert te voldoen aan redelijke opdrachten van Arvato, (wederom) niet verschijnt op het spreekuur van de bedrijfsarts, de benodigde formulieren niet getekend retourneert, zijn verblijfplaats niet doorgeeft en geen contact opneemt met de bedrijfsarts om te bespreken waarom hij verhinderd is om haar spreekuur te bezoeken. Al deze verwijten zien – bij uitstek en uitsluitend – op handelen of nalaten van werknemer in het kader van zijn re-integratieverplichtingen. Het staat werknemer ingevolge het bepaalde in artikel 7:660a BW niet vrij om zonder deugdelijke redenen niet mee te werken aan door Arvato gegeven redelijke opdrachten om tot re-integratie te komen. In beginsel levert het weigeren of nalaten om aan dergelijke opdrachten mee te werken echter geen dringende reden voor ontslag op staande voet op. Nu niet is gesteld of gebleken dat daarnaast relevante feiten en omstandigheden aanwezig waren die in onderlinge samenhang een ontslag op staande voet rechtvaardigen, concludeert het hof dat geen sprake is geweest van een dringende reden. Wat betreft het (on)voorwaardelijke ontbindingsverzoek geldt het volgende. Omdat Arvato geen deskundigenoordeel heeft overgelegd ex artikel 7:671b lid 5 aanhef en sub b BW, terwijl niet is gesteld of gebleken dat het overleggen van een dergelijke verklaring in redelijkheid niet van Arvato kan worden gevergd, neemt het hof als vaststaand aan dat de gedragingen van werknemer geen verwijtbaar handelen of nalaten vormen in de zin van artikel 7:669 lid 3 aanhef en sub e BW, terwijl het verband tussen deze gedragingen en de aard van de arbeidsongeschiktheid van werknemer niet valt uit te sluiten. Wat betreft de verstoorde arbeidsverhouding geldt dat voorstelbaar is dat de relatie tussen werknemer en (de HR-afdeling van) Arvato enigszins onder druk is gezet door de discussie tussen partijen over de re-integratie van werknemer. Er is echter onvoldoende aangevoerd om te concluderen dat de arbeidsverhouding tussen partijen zodanig is verstoord dat van Arvato in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Met betrekking tot de h-grond geldt dat de arbeidsovereenkomst niet definitief inhoudsloos is, omdat werkhervatting door werknemer na herstel nog altijd een reële mogelijkheid is. Er is geen sprake van (andere) omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 aanhef en sub h BW. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.