Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 10 september 2019
ECLI:NL:GHDHA:2019:2424
CSU Personeel B.V./werknemer c.s.
Feiten
Werknemer c.s. zijn tussen 1989 en begin 2010 in dienst getreden van (de rechtsvoorgangster van) het schoonmaakbedrijf Albatros B.V. De CAO in het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf is op deze arbeidsovereenkomsten van toepassing. Met ingang van 1 juli 2010 is een, ten opzichte van de algemene toeslagregeling van artikel 18 CAO, ongunstiger toeslagregeling in de CAO opgenomen voor werknemers werkzaam in een hotel. In verband daarmee bevat artikel 2 lid 2 D-deel van de CAO een overgangsregeling waarin staat dat werknemers die op 30 juni 2010 werkzaam zijn in een hotel het recht houden op de toeslagpercentages van artikel 18 van de CAO en dit recht vervalt bij vrijwillige uitdiensttreding. Albatros is op 3 december 2012 in staat van faillissement verklaard. De arbeidsovereenkomst met de medewerkers is opgezegd door de curator. CSU Cleaning Services heeft activa uit het faillissement gekocht en medegedeeld dat zij medewerkers van Albatros wil overnemen, maar dat bij indiensttreding van de medewerkers bij Albatros de weekendtoeslag uit de CAO komt te vervallen. Werknemer c.s. zijn met terugwerkende kracht tot 3 december 2012 in dienst getreden van CSU. Werknemer c.s. vorderen een verklaring voor recht dat zij jegens CSU recht hebben op de toeslagen als bedoeld in artikel 18 CAO. De kantonrechter heeft de verklaring voor recht toegewezen. Het Hof Amsterdam heeft in een tussenarrest het oordeel van de kantonrechter bekrachtigd. In zijn eindarrest heeft Hof Amsterdam het bestreden vonnis vernietigd voor zover daarbij de vorderingen van werknemer c.s. zijn afgewezen en de gewijzigde vordering van werknemer c.s. (deels) toegewezen. Op het door CSU ingestelde cassatieberoep heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 9 februari 2018 geoordeeld, kort samengevat, dat het oordeel van het Hof Amsterdam dat in dit geval sprake is van een situatie die moet worden aangemerkt als een contractswisseling in de zin van artikel 38 CAO, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. In het begrip heraanbesteding in artikel 38 van de CAO ligt volgens de Hoge Raad besloten dat daarvan slechts sprake is indien deze plaatsvindt door dezelfde opdrachtgever als degene die het project waarom het gaat eerder aanbesteedde (en die situatie doet zich hier niet voor).
Oordeel
Partijen twisten over de vraag hoe het tussenarrest van het Hof Amsterdam over de uitleg van artikel 2 lid 1 D-deel moet worden begrepen, en daarmee tevens over de vraag welke geschilpunten er thans na verwijzing nog ter beoordeling voor liggen. Het oordeel van het Hof Amsterdam dat de vorderingen van werknemer c.s. op CSU niet toewijsbaar zijn op grond van artikel 2 lid 2 D-deel van de CAO behoudens indien sprake is van een overgang van onderneming of een contractsoverneming in de zin van artikel 38 van de CAO, is in cassatie niet bestreden en staat daarmee vast. Ditzelfde geldt voor het oordeel van het Hof Amsterdam dat er geen sprake is van een overgang van onderneming als bedoeld in artikel 7:663 BW. Hetgeen door werknemer c.s. in dit verband na verwijzing nog wordt aangevoerd, valt buiten de rechtsstrijd na verwijzing en zal daarom onbesproken blijven. Gelet op het oordeel van de Hoge Raad over de uitleg van artikel 38 van de CAO, staat thans vast dat de vorderingen van werknemer c.s. ook op die grondslag niet kunnen slagen. Dat CSU om andere redenen moet worden aangemerkt als opvolgend werkgever van Albatros, is in de feitelijke instanties door werknemer c.s. niet, althans onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd, gesteld. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van werknemer c.s. alsnog worden afgewezen.