Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 1 oktober 2019
ECLI:NL:GHDHA:2019:2502
werknemer/Securitas Beveiliging B.V.
Feiten
Werknemer is op 1 januari 2010 bij Securitas Beveiliging B.V. (hierna: ‘Securitas’) in dienst getreden. Securitas heeft werknemer ter beschikking gesteld aan de RET te Rotterdam. In 2010 is werknemer betrokken geraakt bij een arbeidsongeval. De tram waarin werknemer die dag werkzaam was en die stilstond, werd aan de achterzijde aangereden door een andere tram. Werknemer viel daardoor op de grond. Hij is vervolgens medisch behandeld. Met ingang van 22 juli 2012 is werknemer volledig arbeidsongeschikt. Securitas heeft op 28 april 2014 het UWV om toestemming verzocht om de arbeidsovereenkomst met werknemer op te zeggen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid. Die toestemming is door het UWV gegeven, op basis waarvan Securitas de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Werknemer heeft in eerste aanleg gevorderd voor recht te verklaren dat Securitas aansprakelijk is voor de gevolgen die werknemer ondervindt van het ongeval dat in 2010 heeft plaatsgevonden en Securitas onder meer te veroordelen tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering van werknemer afgewezen. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in hoger beroep.
Oordeel
Werknemer heeft aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat er in rechte van uit moet worden gegaan dat Securitas aan haar zorgplicht heeft voldaan en jegens werknemer niet aansprakelijk en schadeplichtig is in de zin van artikel 7:658 lid 2 BW. Het hof volgt werknemer daarin niet. Indien een werknemer bij de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden dan is de werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk, tenzij, voor zover hier van belang, hij aantoont dat hij de in lid 1 van deze bepaling bedoelde zorgverplichtingen is nagekomen. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rust daarom op Securitas de stelplicht en zo nodig de bewijslast dat zij haar zorgverplichtingen als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW is nagekomen. Securitas heeft – gemotiveerd en met stukken onderbouwd – gesteld dat zij als werkgever aan haar zorgplicht jegens werknemer, als bedoeld in artikel 7:658 BW, heeft voldaan en dat zij dan ook niet aansprakelijk is voor het onderhavige ongeval. Securitas is van mening dat zij door het geven van instructies en training gericht op het voorkomen van schade als gevolg van de (plotselinge) bewegingen van de tram, heeft voldaan aan haar zorgplicht. De genomen maatregelen vormen weliswaar geen absolute waarborg dat zich geen incident zal voordoen, maar dat wordt ook niet van de werkgever verwacht. Werknemer heeft het voorgaande niet (althans niet gemotiveerd) bestreden, hetgeen zeker in hoger beroep van hem verwacht had mogen worden. Integendeel, werknemer heeft (bij monde van zijn raadsman ter comparitie in eerste aanleg) zelf gesteld dat dit ongeval niet voorkomen had kunnen worden en dat niet kan worden gezegd wat Securitas anders of meer had kunnen doen. Ook het hof ziet niet wat Securitas in dit geval anders of meer had kunnen doen. Anders dan werknemer heeft betoogd, betekent het voorgaande niet dat aan hem de last is opgelegd te bewijzen dat Securitas niet (volledig) aan haar zorgplicht heeft voldaan. De stelplicht en zo nodig de bewijslast dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan, rust op Securitas. Nu Securitas gemotiveerd en onderbouwd heeft gesteld dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan, lag het op de weg van werknemer dat standpunt gemotiveerd te bestrijden. Dat heeft werknemer niet (gemotiveerd) gedaan. Het hof verenigt zich met het oordeel van de kantonrechter in r.o. 5.4 van het bestreden vonnis en maakt (ook) dit oordeel tot het zijne. De conclusie is dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd en dat werknemer zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, met inbegrip van de nakosten en wettelijke rente als gevorderd.