Rechtspraak
werkgeefster/werknemer
Feiten
Werkgeefster is een producent van fysiotherapiebehandelbanken en meubilair voor kapsalons. Vanaf eind 2017/begin 2018 is werkgeefster de nadruk gaan leggen op de export van kappersmeubilair, omdat de omzet van fysiotherapiebehandelbanken in gevaar was gekomen. Met het oog op deze ontwikkelingen is werkgeefster toen op zoek gegaan naar een manager exportbevordering. Zo is werknemer per 1 mei 2018 bij werkgeefster in dienst getreden. Nadat werkgeefster in de voorafgaande jaren veel verlies heeft gedraaid, heeft zij in 2016/2017 winst gemaakt en ook het resultaat in het eerste kwartaal van 2018 was positief. Vanaf medio 2018 is de omzet echter een dalende lijn gaan vertonen, wat heeft geresulteerd in een negatief bedrijfsresultaat. Vanwege de oplopende verliezen heef werkgeefster moeten besluiten om de (loon)kosten te beperken. Daartoe zijn alle overeenkomsten met haar uitzendkrachten beëindigd en zijn verschillende uit dienst getreden werknemers niet vervangen. Op 12 maart 2019 heeft zij het UWV op bedrijfseconomische gronden om een ontslagvergunning voor werknemer en een collega gevraagd. Met de collega is toen een regeling getroffen. Op 27 juli 2019 heeft het UWV de ontslagvergunning voor werknemer geweigerd. Werkgeefster is het daar niet mee eens en verzoekt de kantonrechter daarom tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst over te gaan. In de gegeven omstandigheden ligt het voor de hand dat de functie van manager exportbevordering komt te vervallen. Daarbij komt dat werkgeefster werknemer onprofessioneel gedrag verwijt. Voor zover de arbeidsovereenkomst niet voor ontbinding op bedrijfseconomische gronden in aanmerking komt, stelt werkgeefster dat sprake is van een onherstelbare beschadiging van het vertrouwen, zodanig dat niet van haar gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten.
Oordeel
De kantonrechter overweegt allereerst dat uit de vaststaande feiten volgt dat de financiële situatie van werkgeefster sterk is verslechterd. Feiten en omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat werkgeefster dit ten tijde van de indienstneming van werknemer heeft kunnen voorzien, zijn niet (voldoende) gebleken. Daarom heeft werkgeefster in redelijkheid kunnen besluiten om (loon)kosten beperkende maatregelen te treffen. Hoewel de financiële gezondheid wordt bevorderd door een structurele en substantiële verhoging van de omzet, is niet gebleken dat is te verwachten dat voortzetting van het dienstverband met werknemer voor een dergelijke verhoging in de omzet kan zorgen. De stelling van werknemer dat zijn ontslag niet doelmatig is, treft daarom geen doel. Werkgeefster behoort haar verlies, in (onder meer) haar belang en het belang van haar werknemers, zo veel als mogelijk te beperken. Het ontslag van werknemer draagt daaraan substantieel bij en is daarom doelmatig. De redelijkheid van het ontslag is gegeven met het feit dat vaststaat dat het verval van zijn arbeidsplaats het gevolg is van bedrijfseconomische omstandigheden en nodig is voor een doelmatige bedrijfsvoering. De kantonrechter wijst op grond van bovenstaande ontbinding van de arbeidsovereenkomst toe.