Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 27 februari 2019
ECLI:NL:RBMNE:2019:1743
werkneemster/werkgeefster
Feiten
Werkgeefster levert hulp in de huishouding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Op 19 januari 2015 is werkneemster tijdens haar werkzaamheden bij een cliënt van werkgeefster gevallen (hierna: de cliënt). Bij deze val heeft zij letsel aan haar schouder opgelopen. Volgens werkneemster heeft werkgeefster niet voldaan aan haar zorgplicht als werkgever. Daarom verzoekt zij in dit deelgeschil dat de kantonrechter bepaalt dat werkgeefster aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg van dit ongeval lijdt en heeft geleden. De val vond plaats tijdens het lopen met twee vuilniszakken, waarbij werkneemster haar evenwicht verloor. Werkneemster meent dat dit gebeurde doordat zij, volgens instructies van werkgeefster, vuilniszakken van zich af moest houden. Werkgeefster wijst de aansprakelijkheid af. Zij stelt dat niet vaststaat dat werkneemster het letsel tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden in dienst van werkgeefster heeft opgelopen, omdat er geen getuigen van dit voorval zijn.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt dat het feit dat de cliënt, die in een rolstoel zat, werkneemster niet heeft zien vallen, geen reden is om aan te nemen dat het ongeval niet heeft plaatsgevonden tijdens de werkzaamheden voor werkgeefster bij de cliënt. Werkneemster heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat de cliënt wel gehoord heeft dat zij is gevallen. Dit is telefonisch nagegaan en bevestigd. De kantonrechter gaat er daarom bij de beoordeling van het geschil van uit dat het ongeval is gebeurd tijdens de werkzaamheden van werkneemster voor werkgeefster en dat het is gegaan zoals werkneemster in haar verzoekschrift heeft beschreven. Volgens werkneemster is werkgeefster tekortgeschoten in haar zorgplicht. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval sprake is van een dagelijks voorkomende situatie waarin werkgeefster geen nadere instructies hoefde te geven. Werkgeefster heeft ten aanzien van de instructie voor het dragen van de vuilniszak aangegeven dat deze instructie gegeven wordt omdat er scherpe voorwerpen in een vuilniszak kunnen zitten, die werkneemster zouden kunnen verwonden. De kantonrechter acht dit een begrijpelijke instructie, waaraan geen nadere uitleg diende te worden gegeven. Het lopen met een vuilniszak is immers een gewone huishoudelijke bezigheid die nagenoeg iedereen regelmatig verricht. Er is ook geen reden om aan te nemen dat werkgeefster uit oogpunt van veiligheid speciale schoenen diende te verstrekken. Gelet op de aard van de werkzaamheden mag werkgeefster dit aan werknemers overlaten. Normale stevige schoenen zijn over het algemeen geschikt voor schoonmaakwerk. Dat was in het huis van de cliënt niet anders. Bovendien had het huis van de cliënt een normale vloerbedekking die in veel woningen voorkomt. Ook het feit dat werkneemster tijdsdruk zou voelen tijdens haar werk, betekent niet dat werkgeefster haar zorgplicht heeft geschonden. Zelfs al zou dit wel zo zijn, dan leidt dit nog niet tot aansprakelijkheid van werkgeefster. Niet is gebleken dat de gestelde tijdsdruk de oorzaak is van de val. Uit wat werkneemster naar voren heeft gebracht, lijkt de val veroorzaakt door de ongelukkige samenloop tussen op het moment dat de cliënt werkneemster terugriep en waarna zij zich omdraaide en haar evenwicht verloor. Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat werkneemster ongelukkig is gevallen en dat deze val heel nare gevolgen voor haar heeft. De vraag of zij de schade die zij door deze ongelukkige val heeft geleden kan verhalen op werkgeefster, dient echter ontkennend beantwoord te worden. Zoals hiervoor is geconcludeerd is aan de vereisten voor deze aansprakelijkheid niet voldaan. Het verzoek moet daarom worden afgewezen.