Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 29 oktober 2019
ECLI:NL:RBDHA:2019:11388
werkneemster/NN Insurance Personeel B.V.
Feiten
Werkneemster is op 1 februari 1997 in dienst getreden van ING Verzekeringen Personeel s.r.o. in Tsjechië, een rechtsvoorganger van NN Insurance Personeel B.V. (hierna: NNIP). Per 1 november 2000 is werkneemster overgeplaatst van Tsjechië naar Nederland en zij is daarna steeds werkzaam geweest in Nederland voor NNIP of daaraan gelieerde maatschappijen. Haar laatste (formele) werkgever was NNIP. Per 1 februari 2017 is werkneemster op grond van een tussen partijen op 30 september 2016 overeengekomen beëindigingsovereenkomst uit dienst van NNIP gegaan. De laatste functie van werkneemster bij NNIP was op de afdeling CFO/Finance & Control/Control & Operations. Aan de uitdiensttreding van werkneemster bij NNIP is een reorganisatie binnen het Finance Hoofdkantoor, waartoe de afdeling Control & Operations behoorde, vooraf gegaan. Deze reorganisatie is per 1 juli 2016 doorgevoerd. Werkneemster verzoekt de kantonrechter onder meer te verklaren voor recht dat NNIP ten opzichte van werkneemster toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de arbeidsovereenkomst met werkneemster ex artikel 7:686 BW, door aan werkneemster zonder wettelijke grondslag de werkzaamheden behorend bij de functie te ontnemen, en dat NNIP verplicht is de (inkomens- en pensioen)schade die werkneemster dientengevolge lijdt aan werkneemster te vergoeden. Aan het verzoek legt werkneemster – kort samengevat – ten grondslag dat NNIP in strijd heeft gehandeld met haar verplichtingen als goed werkgever en daarmee toerekenbaar jegens werkneemster tekort is geschoten door in strijd met de bepalingen van het Ontslagbesluit aan haar voor te spiegelen dat haar functie vervallen was en er geen herplaatsingsmogelijkheden zouden zijn. NNIP is onder meer van mening dat op grond van artikel 7:686a lid 4 BW de bevoegdheid van verzoekster tot het indien van het verzoekschrift is vervallen.
Oordeel
Omdat in de procedure die door het Hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2019:1944) is beslist een (in dat opzicht) identiek verzoekschrift aan de orde was, waarbij de grondslag eveneens de artikelen 7:686 BW en 7:611 BW waren, zal de kantonrechter in navolging van de uitspraak van het hof oordelen dat het recht van verzoekster om een verzoekschrift in te dienen niet vervallen is. Tijdens de mondelinge behandeling op 18 oktober 2019 is de beslissing van het Hof Den Haag voor het verdere debat tussen partijen als uitgangspunt genomen, gelet op de vergelijkbaarheid van de door het hof besliste zaak en deze voorliggende zaak. Daarop heeft NNIP erop gewezen dat deze voorliggende zaak in zoverre van de door het hof besliste zaak afwijkt, dat in deze zaak sprake is van een finale kwijting en in de door het hof besliste zaak niet. Uit de overgelegde stukken blijkt dat in de beëindigingsovereenkomst een finale kwijting is overeengekomen. Uit de uitspraak van het hof blijkt dat juist het feit dat partijen elkaar finale kwijting hebben gegeven een factor is die van belang kan zijn bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige. De tussen werkneemster en NNIP in de beëindigingsovereenkomst overeengekomen finale kwijting is (onderdeel van) een overeenkomst tussen partijen, waarvan het hof vindt dat partijen contractsvrijheid hebben. In dat licht neemt de kantonrechter dan ook als uitganspunt dat in deze zaak tussen partijen finale kwijting is overeengekomen. Van de zijde van werkneemster is in dit verband nog gezegd dat finale kwijting niet van toepassing is als er zaken spelen waarmee partijen geen rekening hebben gehouden bij het opstellen van de vaststellingsovereenkomst. Wat daar ook van zij, zonder aan deze stelling consequenties te verbinden ten aanzien van hetgeen partijen zijn overeengekomen, bijvoorbeeld door de inhoud van de beëindigingsovereenkomst aan te tasten, hetgeen werkneemster niet doet, blijft het uitgangspunt dat de finale kwijting een overeenkomst tussen partijen is. De kantonrechter zal daarom ook de overeengekomen finale kwijting als uitgangspunt nemen bij zijn beslissing dat de finale kwijting aan toewijzing van het verzoek in de weg staat.