Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Woonzorgcentra Haaglanden
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 19 november 2019
ECLI:NL:RBDHA:2019:12257

werkneemster/Stichting Woonzorgcentra Haaglanden

Ontslag op staande voet wegens diefstal van sieraden van bewoners in zorginstelling blijft in stand.

Feiten

Werkneemster is op 1 januari 2018 in dienst getreden bij WZH, laatstelijk in de functie van woonzorgmedewerker. Vanaf januari 2018 hebben een aantal bewoners en/of hun familieleden geconstateerd dat er sieraden werden vermist. Als gevolg van het overleg met de politie zijn van 8 tot en met 13 mei 2019 door de politie camera’s geplaatst in de kamers van twee bewoners. Op de camerabeelden is te zien dat werkneemster tijdens haar nachtdienst twee keer dezelfde kamer binnengaat – daarbij niet naar de in bed liggende bewoner kijkt – en twee maal een gouden ring oppakt die in een bakje naast het bed ligt, deze bekijkt en weer teruglegt. Op 16 mei 2019 is werkneemster door de politie aangehouden terwijl zij aan het werk was bij een andere zorginstelling. Op 16 mei 2019 is werkneemster door WZH geschorst in verband met de aanhouding door de politie. De politie heeft huiszoeking bij werkneemster gedaan en daarbij is een aanzienlijke hoeveelheid sieraden aangetroffen. Op 31 mei 2019 is werkneemster door de WZH op staande voet ontslagen. Werkneemster verzoekt het ontslag op staande voet te vernietigen.

Oordeel

Werkneemster betwist dat er in haar woning zaken zijn aangetroffen die zijn gestolen. Zij betwist dat zij zaken heeft gestolen en betwist ook dat er een match is tussen de in haar woning aangetroffen sieraden en die van bewoners van WZH. Het enkele vermoeden dat zij een diefstal heeft gepleegd is onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van een dringende reden. Met het standpunt dat het enkele vermoeden dat zij een diefstal heeft gepleegd onvoldoende is om te kunnen concluderen dat sprake is van een dringende reden, gaat werkneemster er echter aan voorbij dat WZH niet het vermoeden van diefstal, maar diefstal, ten grondslag heeft gelegd aan het ontslag. Voorts laat werkneemster na haar betwisting van de diefstal op enigerlei wijze te onderbouwen, terwijl dat, gezien de door WZH gegeven onderbouwing, wel op haar weg lag. Tegenover de door de politie bevestigde herkenning van bij haar thuis aangetroffen sieraden door verschillende (familieleden van) bewoners, is een enkele ontkenning hier niet meer voldoende. Werkneemsters mededeling ter gelegenheid van de mondelinge behandeling dat zij op verschillende markten, bij V&D en juweliers sieraden heeft gekocht en dat zij daarvan bonnen heeft maar die niet in het geding heeft gebracht omdat zij pas laat op de hoogte was van de mondelinge behandeling, overtuigt in dit verband niet. Van werkneemster mag verwacht worden dat zij deze bonnen in een veel eerder stadium in het geding zou hebben gebracht. Met het voorgaande is afdoende komen vast te staan dat werkneemster sieraden heeft gestolen van bewoners van WZH. Met WZH is de kantonrechter van oordeel dat diefstal van sieraden van veelal kwetsbare bewoners in een thuissituatie als de Waterhof een dringende reden voor ontslag oplevert. Ten aanzien van de onverwijldheid wordt als volgt overwogen. De kantonrechter is van oordeel dat de opzegging tijdig is gedaan. De kantonrechter stelt daarbij voorop dat voldoende aannemelijk is geworden dat er op 16 mei 2019, het moment dat werkneemster werd geschorst, met de aanhouding door de politie, een voldoende ernstig vermoeden was dat werkneemster betrokken was bij de diefstallen van sieraden van bewoners. WZH wijst erop dat voor haar de aanhouding niet de reden is geweest voor het ontslag, maar de later van de politie ontvangen bevestiging dat er een positieve match bestond tussen de van de bewoners gestolen sieraden en de sieraden aangetroffen bij werkneemster. Die bevestiging ontving zij pas op 29 mei 2019 en na een korte tijd, waarin intern beraad heeft plaatsgevonden, heeft WZH werkneemster op 31 mei 2019 ontslagen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft WZH op goede gronden de zorgvuldigheid voorrang gegeven en is niettemin met de nodige voortvarendheid gehandeld. Het verzoek om vernietiging van het ontslag op staande voet zal worden afgewezen.