Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Aristozorg B.V.
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 12 november 2019
ECLI:NL:GHAMS:2019:4067

werknemer/Aristozorg B.V.

Werkgever heeft met de in de terugbetalingsbepalingen geregelde gevallen zijn investeringen in de opleiding van werkneemster als werknemer willen veiligstellen. De terugbetalingsbepalingen dienen daarom zo te worden uitgelegd dat werkneemster, ook als zij tijdens haar opleiding bij AristoZorg zou vertrekken, tot terugbetaling van de studiekosten gehouden was.

Feiten

Werkneemster is per 1 mei 2016 voor de duur van zeven maanden bij AristoZorg B.V. (hierna: Aristozorg) in dienst getreden. Op de arbeidsovereenkomst is de collectieve arbeidsovereenkomst Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg (verder: de cao) van toepassing. De cao regelt een vaste vergoeding woon-werkverkeer voor een werknemer die werkzaam is op een vaste werklocatie en een tegemoetkoming van de reiskosten in het geval de werknemer rechtstreeks vanaf huis naar de cliënt(en) reist. Op 4 augustus 2016 hebben partijen een studieovereenkomst gesloten. Hierin staat dat werkneemster de studiekosten volledig aan AristoZorg dient terug te betalen indien zij binnen één jaar na de diplomadatum niet meer voor AristoZorg werkt, dan wel indien AristoZorg de arbeidsovereenkomst binnen voornoemde periode vanwege een dringende reden beëindigt. Met ingang van 26 oktober 2016 hebben partijen een leer-arbeidsovereenkomst gesloten tot en met de duur van de opleiding. Op 25 mei 2017 heeft werkneemster zich ziek gemeld. Werkneemster heeft de leer-arbeidsovereenkomst beëindigd per 31 augustus 2017. De rechtbank heeft de vorderingen van werkneemster gedeeltelijk, namelijk een loonvordering en reiskostenvergoeding, toegewezen. Werkneemster is veroordeeld tot betaling van € 4.470 op grond van de terugbetalingsovereenkomst. Werkneemster is van dit oordeel in hoger beroep gekomen.

Oordeel

Studieovereenkomst

De tekst van de studieovereenkomst is in grote lijnen duidelijk. Niet gebleken is dat werkneemster ten tijde van het sluiten van de studieovereenkomst aan AristoZorg vragen heeft gesteld over de hoogte of opbouw van het bedrag aan studiekosten, zodat aangenomen moet worden dat het werkneemster duidelijk was waarvoor zij tekende en, in ieder geval, dat AristoZorg daarvan redelijkerwijs mocht uitgaan. Anders dan werkneemster heeft betoogd, rustte op AristoZorg niet de verplichting werkneemster eigener beweging voor te lichten over de te onderscheiden kosten waaruit het bedrag van € 10.000 is opgebouwd. Het hof is, evenals de kantonrechter, van oordeel dat geen sprake is van dwaling als bedoeld in artikel 6:228 BW. AristoZorg heeft met de in de terugbetalingsbepalingen geregelde gevallen haar investeringen in de opleiding van werkneemster als werknemer willen veiligstellen. De terugbetalingsbepalingen dienen daarom zo te worden uitgelegd dat werkneemster, ook als zij tijdens haar opleiding bij AristoZorg zou vertrekken, tot terugbetaling van de studiekosten gehouden was. Werkneemster heeft dat redelijkerwijs ook zo moeten begrijpen. In de door werkneemster voorgestane uitleg van de terugbetalingsbepalingen, te weten een strikt grammaticale uitleg, zou zij de studiekosten (ook) niet hoeven terug te betalen als zij door het nemen van ontslag het dienstverband kort voor het behalen van het diploma deed beëindigen. Dat heeft niet als een redelijke uitleg te gelden. Wel is het hof van oordeel dat werkneemster niet had hoeven begrijpen dat de omvang van de terugbetalingsverplichting aan de post ‘begeleiding’ was gekoppeld. Daarvoor kunnen geen aanknopingspunten worden gevonden. De door AristoZorg opgevoerde begeleidingskosten behoeven daarom niet door werkneemster te worden terugbetaald.

Reiskosten

In de arbeidsovereenkomst staat dat de vaste standplaats van werkneemster plaats X is. Niet gebleken is dat partijen bij het aangaan van de leer-arbeidsovereenkomst dan wel daarna zijn overeengekomen dat werkneemster in plaats van vanaf plaats X, rechtstreeks vanaf haar woonhuis naar cliënten zou rijden. AristoZorg heeft betwist dat werkneemster rechtstreeks vanaf haar woonadres naar cliënten reisde. Aldus is onvoldoende aannemelijk geworden dat de vergoeding van de reiskosten woon-werkverkeer conform artikel 9.1 en 9.3 van de CAO onjuist is geweest. Daarmee is die vordering niet toewijsbaar, zoals ook de kantonrechter heeft geoordeeld. AristoZorg heeft de door werkneemster gestelde reistijd tussen cliënten niet betwist, zodat van de juistheid daarvan wordt uitgegaan. Die reistijd dient door AristoZorg te worden vergoed. De kantonrechter heeft geoordeeld dat werkneemster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij onjuist is ingeschaald. Hiertegen heeft werkneemster niet gegriefd. Dat betekent dat de reistijd tussen cliënten dient te worden verloond op basis van de functiewaarderingsschaal 15 3-8 in plaats van 20 10-3. De vordering van werkneemster is daarom toewijsbaar, dus de totale reistijd tussen cliënten, verloond tegen het salaris van werkneemster conform functiewaarderingsschaal 15 3-8, te vermeerderen met de eindejaarsuitkering en vakantietoeslag. Het hof zal de gevorderde wettelijke verhoging matigen tot 20% over het toe te wijzen bedrag aan reistijd tussen cliënten.