Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 26 november 2019
ECLI:NL:GHAMS:2019:4199
ABN Amro Bank N.V./werknemer
Feiten
Werknemer was sinds 20 maart 1978 krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst bij ABN Amro Bank N.V. (hierna ABN Amro). In het kader van een reorganisatie is tussen partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, waardoor de arbeidsovereenkomst per 1 april 2016 zou worden beëindigd tegen betaling van (onder meer) een beëindigingsvergoeding door ABN Amro aan werknemer. Op 30 maart 2016 is werknemer echter door ABN Amro op staande voet ontslagen op grond van onttrekkingen van gelden die werknemer beheerde voor de leden van zijn voetbalteam. De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet vernietigd, enerzijds omdat het door de bank verweten handelen niet in verband stond met de werkzaamheden van werknemer voor ABN Amro en ABN Amro hierdoor niet geschaad is, anderzijds omdat de aard en ernst van dit handelen gewogen tegen de persoonlijke omstandigheden van werknemer (lengte dienstverband, leeftijd, kritiekloos functioneren, de gesloten vaststellingsovereenkomst) onvoldoende rechtvaardiging vormden voor een ontslag op staande voet. De kantonrechter heeft het door werknemer gevorderde (grotendeels) toegewezen. ABN Amro heeft tegen al deze beslissingen hoger beroep ingesteld.
Oordeel
Als gevolg van de vernietiging van het ontslag op staande voet door de kantonrechter staat vast dat de arbeidsovereenkomst niet op 30 maart 2016 is geëindigd. Allereerst toetst het hof de ontvankelijkheid van ABN Amro per verzoek. Vervolgens beoordeelt het hof de grieven ten aanzien van het vernietigde ontslag op staande voet. ABN Amro heeft als grond voor het door haar ingestelde hoger beroep aangevoerd dat de kantonrechter het ontslag op staande voet ten onrechte heeft vernietigd. Zij heeft hiertoe een aantal gronden aangevoerd. Tussen partijen staat vast dat werknemer de beleggingsrekening oneigenlijk heeft gebruikt, door daarop aanwezige tegoeden, al dan niet tijdelijk, te gebruiken voor privédoeleinden. Het beheer van deze rekening vloeide niet voort uit zijn functie bij ABN Amro. Om die reden komt bij de beoordeling van het handelen van werknemer in de uitvoering van de beheerstaak aan de bankierseed en integriteitseisen geen beslissende betekenis toe. ABN Amro heeft als gevolg van die uitvoering ook geen schade geleden. ABN Amro heeft niet gesteld dat werknemer formeel jegens haar niet gerechtigd was ten aanzien van de beleggingsrekening naar eigen goeddunken te handelen. Van verduistering is alleen al om die reden geen sprake, althans niet jegens ABN Amro. Het moreel verwerpelijke karakter van het handelen van werknemer staat vast, maar dit heeft geen betrekking op de relatie met ABN Amro. Ter beoordeling van de dringende reden heeft het hof de persoonlijke omstandigheden van werknemer meegewogen. Het oordeel van de kantonrechter was terecht. Al deze omstandigheden afwegend komt het hof tot het oordeel dat van een dringende reden voor ontslag op staande voet geen sprake was. Het hof verenigt zich dan ook met de beoordeling door de kantonrechter. Nu vaststaat dat de arbeidsovereenkomst ten onrechte door ABN Amro (onverwijld) is beëindigd, is de loonvordering terecht toegewezen. ABN Amro is in haar verzoek tot rechterlijke vernietiging van de beëindigingsovereenkomst op grond van dwaling niet-ontvankelijk. Daarmee staat voor het hof thans vast dat de arbeidsovereenkomst door de beëindigingsovereenkomst tussen partijen per 1 april 2016 is geëindigd. De slotsom is dat het hoger beroep van ABN Amro faalt.