Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 10 december 2019
ECLI:NL:GHARL:2019:10559
Soba Security Opleidingen B.V./werknemer
Feiten
Op 1 januari 2011 is werknemer als brandbeveiligingsdocent en -adviseur voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij Soba Security Opleidingen B.V. (hierna: SOBA). SOBA drijft een onderneming in bedrijfsopleidingen en trainingen en het verzorgen van beveiligingscursussen. In de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is een nevenwerkzaamhedenbeding opgenomen. Gedurende zijn dienstverband met SOBA heeft werknemer in eigen tijd en voor eigen gewin diverse cursussen en opleidingen gegeven aan bestaande klanten van SOBA. Werknemer deed hierbij voorkomen alsof deze cursussen ‘onder de vlag’ van SOBA werden gegeven door een (niet bestaand) nieuw bedrijfsonderdeel van SOBA: SBA. SOBA heeft werknemer op 21 maart 2016 op staande voet ontslagen. Bij de eindafrekening heeft SOBA aan werknemer medegedeeld dat zij het bedrag dat werknemer nog tegoed had, heeft verrekend met de door werknemer veroorzaakte schade en dat de definitieve schade op werknemer verhaald zal worden. In eerste aanleg heeft SOBA gevorderd om werknemer te veroordelen tot betaling van de op basis van de arbeidsovereenkomst verschuldigde boetes. Subsidiair heeft SOBA een verklaring voor recht gevorderd dat werknemer jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld en een veroordeling van werknemer tot vergoeding van de schade die SOBA daardoor heeft geleden en nog zal lijden. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen. SOBA vordert in hoger beroep na wijziging van eis onder meer te verklaren dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming en werknemer te veroordelen tot betaling van schadevergoeding.
Oordeel
Wijziging van eis in hoger beroep
Het gaat, net als in eerste aanleg, om de vraag of de door SOBA aan werknemer verweten gedragingen tot aansprakelijkheid leiden van werknemer voor de door die gedragingen door SOBA geleden schade. Naar het oordeel van het hof houdt de gewijzigde eis dan ook niet een zodanige frontverandering in dat werknemer hierdoor onredelijk wordt bemoeilijkt in zijn verdediging. Het hof ziet dan ook geen grond om de eiswijziging van SOBA wegens strijd met de eisen van een goede procesorde buiten beschouwing te laten.
Wanprestatie
In het licht van de werkzaamheden die werknemer zonder wetenschap, laat staan toestemming, van SOBA in zijn vrije tijd heeft uitgevoerd, kan niet anders geoordeeld worden dan dat werknemer in strijd met het nevenwerkzaamhedenbeding heeft gehandeld. Naar het oordeel van het hof heeft werknemer gedurende langere tijd stelselmatig en substantieel het bedrijfsdebiet van zijn werkgever afgebroken. Correcte nakoming van de verplichtingen uit zijn arbeidsovereenkomst over deze periode is blijvend onmogelijk. De conclusie is dan ook dat grief 1 slaagt en dat werknemer tegenover SOBA aansprakelijk is voor de schade die zijn wanprestatie voor SOBA tot gevolg heeft (gehad). Werknemer heeft erkend dat SOBA door zijn gedragingen ‘corporate opportunities’ is misgelopen. Daardoor is voldoende aannemelijk dat SOBA schade heeft geleden. Het hof is echter van oordeel dat de schade die SOBA geleden heeft, op dit moment redelijkerwijze begroot moet kunnen worden. Daar waar werknemer SOBA met haar eigen klanten concurrentie heeft aangedaan, is aannemelijk dat de voor de schadebegroting benodigde informatie boven tafel zal zijn. Bij die stand van zaken oordeelt het hof een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat daarom niet op zijn plaats. Het hof zal SOBA in de gelegenheid stellen om bij akte haar stellingen hierop aan te passen in die zin dat zij zich zo concreet en nauwkeurig mogelijk uitlaat over de omvang van de door haar geleden schade. Het hof verwijst de zaak naar de rol van 7 januari 2020 voor het nemen van een akte door SOBA met betrekking tot het concretiseren van de omvang van de door haar gestelde schade.