Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 29 november 2019
ECLI:NL:RBMNE:2019:5931
werkneemster/Het Interprovinciaal Overleg
Feiten
Werkneemster is op 1 februari 2010 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van het Interprovinciaal Overleg (hierna: IPO). Op de overeenkomst is de Arbeidsvoorwaarden Regeling IPO (AVIPO) van toepassing. Werkneemster was lid van het managementteam van de Organisatie, opgericht per 1 januari 2014 in verband met het besluit van het Rijk om de natuurtaken te decentraliseren en over te hevelen naar de provincies. Op 18 maart 2019 hebben werkneemster en de directeur van de Organisatie een verbeterplan van zes maanden ondertekend. Op 19 april 2019 heeft de directeur het verbeterplan stopgezet en aan werkneemster een voorstel voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst gedaan. Met een brief van 6 mei 2019 heeft werkneemster hiertegen geprotesteerd. Op 9 mei 2019 heeft de directeur bericht dat het verbetertraject definitief is gestaakt. Vervolgens is werkneemster met ingang van 15 mei 2019 vrijgesteld van werk met behoud van salaris. Met een brief van 1 juli 2019 heeft de algemeen directeur van IPO geschreven dat IPO geen mogelijkheden voor herplaatsing van werkneemster ziet. Aan de hand van het AVIPO volgen partijen voorschriften inzake voorzieningen bij werkloosheid. Daarbij geldt de Regeling AVW. De voorzieningen bij werkloosheid van de provincie Zuid-Holland zijn een gelijkwaardige voorziening als bedoeld in artikel 7:673b lid 1 BW. IPO verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op de d-grond of g-grond. Daarnaast verzoekt IPO voor recht te verklaren dat aan werkneemster geen transitievergoeding is verschuldigd, althans alleen een transitievergoeding toe te kennen voor het geval dat zij geen aanspraak zal kunnen maken op een aanvullende voorziening uit de Regeling AVW.
Oordeel
De kantonrechter overweegt dat vaststaat dat werkneemster haar functioneren diende te verbeteren. Daartoe hebben partijen in maart 2019 een plan van aanpak ondertekend. Het plan vereiste van werkneemster zeer grote inspanningen. Het verbeterplan is eenzijdig door de directeur beëindigd. De looptijd is naar het oordeel van de kantonrechter zo kort geweest dat werkneemster onvoldoende in de gelegenheid is gesteld haar functioneren te verbeteren. Om die reden kan niet geoordeeld worden dat sprake is van ongeschiktheid tot het verrichten van de bedongen arbeid. De arbeidsovereenkomst kan dus niet worden ontbonden op de d-grond. Maar dat kan wel op de g-grond. De arbeidsverhouding tussen partijen is namelijk zodanig verstoord dat van IPO in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Voor dat oordeel is in de eerste plaats van belang dat de verhouding tussen werkneemster en de directeur volledig verstoord is geraakt. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. Daar komt bij dat IPO voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ook het managementteam van de Organisatie het vertrouwen in de capaciteiten van werkneemster heeft verloren. Daardoor kan werkneemster niet terugkeren in haar eigen functie. IPO heeft voldoende aangetoond dat werkneemster niet herplaatst kan worden. Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de arbeidsovereenkomst op de g-grond ontbonden kan worden. Ontbinding op de g-grond kwalificeert naar het oordeel van de kantonrechter als een ontbinding op andere gronden in de zin van de oude CAP waarnaar de Regeling AVW verwijst. Dit zal in 2020 veranderen, vanwege de WNRA. Aan de toekomstige CAP kan IPO echter geen argument ontlenen op grond waarvan werkneemster ook nu al geen aanspraak meer zou hebben op een bovenwettelijke uitkering. De kantonrechter oordeelt daarom dat werkneemster aanspraak heeft op de aanvullende voorzieningen en daarom geen recht heeft op de wettelijke transitievergoeding.