Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster c.s.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 17 december 2019
ECLI:NL:GHDHA:2019:3292

werknemer/werkgeefster c.s.

Werknemer is door een overgang van onderneming, die heeft plaatsgevonden vóórdat de vennootschap in staat van faillissement is verklaard, overgegaan naar werkgever X. Werkgever X is verplicht de loonbetalingen te voldoen.

Feiten

Werknemer is vanaf 16 april 1992 tot 25 juli 2007 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onderneming 1 werkzaam geweest. Deze vennootschap is op eigen verzoek in staat van faillissement verklaard en nadien ontbonden. Aansluitend is werknemer op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam geweest bij onderneming 2. Tussen werknemer en onderneming 2 is in 2012 een geschil ontstaan over loonbetaling. Bij vonnis is kort geding is onderneming 2 veroordeeld om aan werknemer loon te betalen. Onderneming 2 heeft daar niet aan voldaan. Op 16 oktober 2012 is onderneming 2 op eigen verzoek in staat van faillissement verklaard. De arbeidsovereenkomst is door de curator opgezegd tegen 1 november 2012. Geïntimeerde 2 is enig aandeelhouder en bestuurder (geweest) van onderneming 1, onderneming 2 en geïntimeerde 1. Geïntimeerde 3 is enig aandeelhouder en bestuurder van geïntimeerde 2. Na verstekvonnis en verzet is bij eindvonnis van 22 augustus 2018 door de kantonrechter geoordeeld dat werknemer er niet in is geslaagd te bewijzen dat de activiteiten van onderneming 2 ongewijzigd zijn voortgezet door geïntimeerde 1 die daartoe voorafgaand aan het faillissement van onderneming 2 twee van de drie werknemers van de laatste heeft overgenomen. De vorderingen van werknemer zijn afgewezen. Werknemer komt op tegen de vonnissen.

Oordeel

Werknemer stelt dat geïntimeerde 3 en geïntimeerde 2 misbruik van faillissementsrecht hebben gemaakt omdat (a) het faillissement van onderneming 2 is aangevraagd hoofdzakelijk met het vooropgezette doel om van de loonvordering van werknemer af te komen, en er (b) geen bedrijfseconomische redenen waren voor dit faillissement. Het hof verwerkt aansprakelijkheid op deze grondslag. Het gestelde oneigenlijke doel van de eigen aangifte is onvoldoende onderbouwd. Geïntimeerden hebben onderbouwd dat onderneming 2 structureel verlieslatend was, hoge schulden had en financieel in leven werd gehouden door de andere groepsmaatschappijen. Bovendien waren er meerdere schuldeisers en verkeerde onderneming 2 in een toestand te hebben opgehouden met betalen. Werknemer stelt dat geïntimeerde 3 en geïntimeerde 2 persoonlijk aansprakelijk zijn omdat (a) de salarisbetaling aan werknemer in maart 2012 is stopgezet zonder aanvaardbare grond, zelfs op basis van een valse grond, en (b) met een drogreden aan werknemer de mogelijkheid is ontnomen om bij UWV een beroep te doen op overname van de loonbetalingsverplichtingen wegens betalingsonmacht. De onderbouwing van de gestelde bestuurdersaansprakelijkheid is uitsluitend gebaseerd op de feitelijke handelwijze van geïntimeerde 3. Het hof verwerpt aansprakelijkheid van geïntimeerde 3. Onderneming 2 heeft de salarisbetaling aan werknemer stopgezet omdat haar financiële situatie daartoe noopte. Dat andere werknemers wel zijn betaald is van onvoldoende betekenis om geïntimeerde 3 een persoonlijk verwijt te maken. Van onrechtmatig handelen van geïntimeerde 3 in zijn andere hoedanigheid is evenmin sprake. Werknemer stelt verder dat de ondernemingsactiviteiten en de andere werknemers van onderneming 2 voor haar faillissement zijn overgegaan naar geïntimeerde 1. Volgens werknemer is hier sprake van een overgang van onderneming als gevolg waarvan hij rechtstreeks in dienst is getreden bij geïntimeerde 1. Het hof volgt werknemer hierin. Niet in geschil is dat de activa en activiteiten zijn overgenomen door geïntimeerde 1. Bovendien heeft deze overgang naar het oordeel van het hof plaatsgevonden vóór het faillissement. Aangenomen moet worden dat werknemer per 16 oktober 2012 op grond van artikel 7:663 BW in dienst is getreden bij geïntimeerde 1. De beroepen van geïntimeerden op verjaring en het ontbreken van belang bij de toewijzing van de vorderingen falen.