Naar boven ↑

Rechtspraak

A/Onderwijsstichting Esprit/Amsterdam Internationaal Community School t.h.o.d.n Mundius College
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 5 november 2019
ECLI:NL:GHAMS:2019:3971

A/Onderwijsstichting Esprit/Amsterdam Internationaal Community School t.h.o.d.n Mundius College

De stageovereenkomst van een leraar Engels wordt niet aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. De overeenkomst zag op het opdoen van ervaring in het kader van de opleiding. De vergelijking met een andere student is geen gelijk geval, waardoor het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.

Feiten

A heeft in het kader van zijn tweedegraadslerarenopleiding aan de onderwijsinstelling INHOLLAND in januari 2015 een praktijkleerovereenkomst – op de tweede bladzijde aangeduid als stageovereenkomst – gesloten met INHOLLAND en Mundus, op grond waarvan hij in de periode van 6 januari 2015 tot 7 juli 2015 twee dagen per week Engelse les heeft gegeven aan leerlingen van de ASS-afdeling van Mundus. Er is geen onkostenvergoeding, reiskostenvergoeding en/of stagevergoeding tussen partijen overeengekomen. X was aangesteld als de stagebegeleider van A. A heeft de stage met een onvoldoende afgesloten. A heeft in eerste aanleg onder meer gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan Hij voerde hiertoe aan dat hij stelselmatig zelfstandig les heeft gegeven en voorts dat sprake is geweest van rechtsongelijkheid omdat een collega die, evenals hij, ook een stageovereenkomst had, werd betaald voor dezelfde werkzaamheden. De kantonrechter heeft overwogen dat er onvoldoende grond is om het bestaan van een arbeidsrelatie aan te nemen, en voorts dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet opgaat. De grieven van A richten zich tegen deze overwegingen en beslissingen. 

Oordeel

Dat A werkzaamheden heeft verricht die vergelijkbaar zijn met die van een docent, maakt nog niet dat afgezien van de praktijkleerovereenkomst sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst. Zowel Mundus als A heeft kennelijk gemeend dat A, die daar immers mee instemde, de in het kader van de opleiding gewenste ervaring kon opdoen door zelfstandig les te geven. Daarmee wordt dat lesgeven geacht binnen de doelstelling van de stage te vallen. Dat Mundus was gebaat bij de inzet van A omdat zij daarmee de gaten in haar lesrooster kon opvullen, is niet van zodanig gewicht dat daaruit volgt dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. A heeft niet betwist dat Mundus diverse medewerkers had aangewezen om hem te begeleiden, en dat INHOLLAND ook een onderwijsbegeleider had aangewezen. Verder staat vast dat in elk geval een aantal van de lessen die A gaf door medewerkers van Mundus zijn bezocht en met A zijn besproken. Ook had A de gelegenheid om buiten de door hem gegeven lessen begeleiding te zoeken. Dit maakt dat niet kan worden geoordeeld dat het geheel ontbrak aan begeleiding van de werkzaamheden die A voor Mundus heeft verricht. A voert nog aan dat een website van de rijksoverheid meldt dat een stagiaire niet zelfstandig les mag geven. Wat daarvan verder zij, dat maakt nog niet dat in de verhouding tussen A en Mundus sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst. Niet ondenkbaar is bovendien dat bedoelde regel niet zozeer strekt ter bescherming van de stagiaire, als wel van de kwaliteit van het onderwijs. Het hof komt tot het oordeel dat uit de door A aangevoerde feiten en omstandigheden niet volgt dat aan de maatstaf voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst is voldaan. Zijn bij Mundus verrichte werkzaamheden zijn in overwegende mate in het belang geweest van de opleiding die A volgde en wettigen niet de conclusie dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan. A komt tevens geen beroep toe op het gelijkheidsbeginsel. De collega-stagiaire waar A het over heeft, was derdejaarsstudent en werkte op basis van een LIO (leraar in opleiding)-arbeidsovereenkomst. Deze collega-stagiaire bevond zich in een andere, latere fase van de opleiding tot leraar. Een en ander betekent dat geen sprake is van een gelijk geval.