Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Leiden), 6 november 2019
ECLI:NL:RBDHA:2019:14309
werknemer/werkgeefster
Feiten
Werknemer is op 11 januari 2016 in dienst getreden bij werkgeefster. Er is geen ondertekende schriftelijke arbeidsovereenkomst. Werknemer heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 april 2018. Gedurende het dienstverband heeft werknemer de opleidingen NACE-1 en NACE-2 gevolgd. De facturen met betrekking tot deze opleidingen zijn voldaan door werkgeefster. Met ingang van 1 februari 2016 is maandelijks een bedrag van € 250 ingehouden voor pensioenpremie. Werknemer vordert onder meer vakantietoeslag, onterecht ingehouden bijdrage pensioen en eigen risico. Werkgeefster voert verweer en vordert in reconventie terugbetaling van de studiekosten.
Oordeel
Eerst wordt ingegaan op de gevorderde studiekosten. Werkgeefster stelt dat zij met werknemer een studiekostenbeding heeft gesloten, als opgenomen in de niet tussen partijen ondertekende arbeidsovereenkomst, op grond waarvan werknemer de betaalde opleidingskosten vanwege de opzegging van zijn arbeidsovereenkomst dient terug te betalen. Nu werknemer dit gemotiveerd betwist, spitst het geschil zich allereerst toe op de vraag of partijen een studiekostenbeding hebben gesloten. De kantonrechter oordeelt dat werkgeefster onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat een arbeidsovereenkomst met de inhoud waarop zij zich beroept daadwerkelijk tussen partijen tot stand is gekomen. Hoewel er is gesproken over het volgen van de NACE-opleidingen, blijkt uit de stellingen van partijen niet dat zij op enig moment overeenstemming hebben bereikt over de elementen en de omvang van een terugbetalingsverplichting wat betreft die studiekosten. Onder deze omstandigheden kan en mag werkgeefster er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat zij met werknemer mondeling een arbeidsovereenkomst, houdende het studiekostenbeding, heeft gesloten. Verder is niet gebleken dat partijen op enig ander moment schriftelijk dan wel mondeling overeenstemming hebben bereikt over terugbetaling van studiekosten. Het op die grondslag gebaseerde verweer in conventie en het deel van de daarop gebaseerde vordering in reconventie moeten daarom van de hand worden gewezen. De toets of al dan niet sprake is van strijd met goed werkgeverschap of goed werknemerschap leidt niet tot een ander oordeel. Ten aanzien van het pensioen oordeelt de rechter dat niet duidelijk is aan welke rechtspersoon de pensioenpremies zijn afgedragen, op grond van welke concrete (pensioen)afspraak dat is gebeurd en in hoeverre werknemer daardoor is gebaat. De kantonrechter gelast een comparitie van partijen voor nadere inlichtingen.