Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/werknemer
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Zaanstad), 5 februari 2020
ECLI:NL:RBNHO:2020:953
Ontbinding arbeidsovereenkomst van 76-jarige boekhouder wegens een verstoorde arbeidsrelatie. Het door werknemer aan werkgever geleende bedrag van € 316.000 staat los van de arbeidsovereenkomst en hoeft niet direct te worden terugbetaald door werkgever.

Feiten

Werknemer is 76 jaar oud en is op 1 januari 2001 in dienst is getreden bij werkgever als boekhouder en verdient € 900 bruto per maand. Werkgever verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkoms wegens gewichtige redenen. Werknemer heeft in zijn verweer aangevoerd dat de arbeidsrelatie inmiddels onherstelbaar is verstoord en dat hij die arbeidsrelatie ook niet meer wil voortzetten. Werknemer heeft verschillende tegenverzoeken gedaan. Hij verzoekt onder meer zelf ook ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen en wanprestatie en om terugbetaling van leningen door werkgever tot een bedrag van € 316.600.  

Oordeel

Ontbinding op verzoek van werkgever

Omdat partijen het erover eens dat de arbeidsverhouding verstoord is, en partijen het er ook over eens zijn dat die verstoring onherstelbaar is en herplaatsing niet meer mogelijk is, zal de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbinden met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn. De kantonrechter ziet geen reden om de arbeidsovereenkomst eerder te ontbinden als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werknemer. Dat werknemer zonder toestemming een bedrag van € 20.000 heeft overgeboekt van de rekening van werkgever naar zijn eigen privérekening, is in de bijzondere omstandigheden van deze zaak niet ernstig verwijtbaar. De kantonrechter is het wel eens met werkgever dat werknemer deze overboeking niet had moeten doen zonder nadrukkelijke toestemming. Maar die overboeking kan niet los worden gezien van het feit dat vaststaat dat werkgever nog leningen aan werknemer moet terugbetalen ter hoogte van een bedrag van ongeveer € 316.000 en dat partijen hadden afgesproken dat aflossingen konden worden gedaan als de liquiditeit dat toestond. Verder heeft werkgever zelf ook een situatie in het leven geroepen waarin discussie kon ontstaan over een overboeking, door de hiervoor genoemde, onduidelijke afspraak te maken en door grote geldbedragen te lenen van een van zijn werknemers, werknemer. De overboeking van € 20.000 kan gelet op het voorgaande ook niet worden gelijkgesteld met diefstal. Van ernstig verwijtbaar gedrag is dus geen sprake.

Ontbindingsverzoek van werknemer op grond van wanprestatie

Ontbinding op grond van wanprestatie kan alleen als sprake is van ernstige wanprestatie van werkgever. Dat is niet gesteld en ook niet gebleken. De stelling van werknemer dat werkgever afspraken over de terugbetaling van leningen niet nakomt, is daarvoor niet genoeg. De kantonrechter moet de rechtsgronden van het verzoek van werknemer zo nodig aanvullen. Dat zal de kantonrechter doen door de arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 1 april 2020, op grond van artikel 7:671c lid 1 BW en wegens een verstoorde arbeidsverhouding.

Terugbetaling leningen

Het tegenverzoek van werknemer om werkgever te veroordelen tot het terugbetalen van leningen tot een bedrag van € 316.000 plus niet betaalde termijnen, wordt niet-ontvankelijk verklaard. De door werknemer aan werkgever verstrekte leningen staan gelet op de stukken, waaronder de schuldbekentenis, de hypothecaire akte en de e-mail van april 2018, los van de arbeidsovereenkomst. Er zijn ook geen stukken waaruit blijkt dat de opeisbaarheid van de leningen is verbonden aan de arbeidsovereenkomst of aan het einde of voortduren daarvan. Er is ook niet gebleken van een afspraak dat werkgever bij het einde van de arbeidsovereenkomst de lening direct en ineens zou moeten terugbetalen.