Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Dordrecht), 12 februari 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:1194
Feiten
Werkneemster is op 15 januari 2014 in dienst getreden bij Procare Fysiotherapie B.V. (hierna: Procare) in de functie van bekkenfysiotherapeut. Vanaf 1 januari 2018 was sprake van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. In deze arbeidsovereenkomst is een concurrentie- en relatiebeding opgenomen. Werkneemster is gespecialiseerd als bekkenfysiotherapeut en sinds 1 januari 2019 is zij tevens gespecialiseerd in oedeemtherapie. Op 5 november 2019 is werkneemster benaderd door mevrouw X om haar praktijk in Gorinchem over te nemen. Daarnaast is het Beatrixziekenhuis in Gorinchem bereid om werkneemster een arbeidsovereenkomst aan te bieden om daarmee de vrijgekomen uren van mevrouw X in het ziekenhuis in te vullen. Procare heeft aan werkneemster geen toestemming gegeven om in de praktijk van mevrouw X en in het Beatrixziekenhuis te gaan werken. Op 29 november 2019 heeft werkneemster haar arbeidsovereenkomst met Procare opgezegd. Op 9 december 2019 heeft werkneemster aan Procare toestemming gevraagd om in het ziekenhuis te gaan werken. Procare heeft daar op 12 december 2019 geen toestemming voor gegeven. Werkneemster vordert onder meer het concurrentiebeding uit de arbeidsovereenkomst met Procare (gedeeltelijk) te schorsen.
Oordeel
Aangenomen kan worden dat Procare en de fysiopraktijk van het Beatrixziekenhuis niet als elkaars concurrenten aan te merken zijn. In de fysiopraktijk van het Beatrixziekenhuis worden voornamelijk patiënten behandeld vanuit een doorverwijzing door een gynaecoloog, uroloog en chirurg/MDL-arts, terwijl bij Procare ook patiënten zonder verwijzing binnen kunnen lopen voor een behandeling. Tussen partijen is niet in geschil dat de praktijk van mevrouw X een concurrent is van Procare. Werkneemster heeft evenwel gesteld dat dit een reeds bestaande praktijk betreft die door haar wordt overgenomen, waarbij zij vervolgens voornemens is minder uren te draaien dan mevrouw X. Dat zo zijnde valt niet in te zien dat die overname het bedrijfsdebiet van Procare aantast. Feitelijk zou de concurrentie minder kunnen worden. Dat werkneemster essentiële relevante informatie van unieke werkprocessen en strategieën heeft verkregen dan wel dat zij kennis, kunde en ervaring heeft opgedaan die het bedrijfsdebiet van Procare zouden aantasten, is voorshands onvoldoende aannemelijk geworden. Daarbij is meegewogen dat door werkneemster onweersproken is aangevoerd dat de bedrijfsvoering van Procare, de fysiopraktijk van het Beatrixziekenhuis en de praktijk van mevrouw X zijn onderworpen aan dezelfde (wettelijke) kwaliteitseisen voor fysiopraktijken, dat de tarieven wettelijk zijn vastgelegd en voor iedereen zichtbaar zijn en dat het hebben van een specifieke opleiding tot een bepaald specialisme door iedere fysiotherapeut kan worden uitgevoerd. Voorts heeft werkneemster gesteld dat zij uitsluitend kennis had van persoonlijke en financiële gegevens van de door haar behandelde patiënten. Zij had immers geen leidinggevende of managementfunctie. Bij deze stand van zaken is voldoende aannemelijk dat werkneemster onbillijk wordt benadeeld door het voortduren van het concurrentiebeding. De vordering tot schorsing van het concurrentiebeding voor wat betreft de indiensttreding van werkneemster bij de fysiopraktijk van het Beatrixziekenhuis en de overname van de praktijk van mevrouw X wordt dan ook toegewezen.