Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Centric Netherlands B.V.
Rechtbank Den Haag (Locatie Gouda), 3 maart 2020
ECLI:NL:RBDHA:2020:1819
Werkgever handelt ernstig verwijtbaar door directeur ten onrechte te beschuldigen van ‘lekken’ naar de pers en samenspannen jegens de directeur-eigenaar. Arbeidsovereenkomst op verzoek van werknemer ontbonden, onder toekenning transitievergoeding (€ 327.667) en billijke vergoeding (€ 69.272,73).

Feiten

Werknemer is op 1 maart 1997 voor onbepaalde tijd bij Centric Netherlands B.V. (hierna: Centric) in dienst getreden. Hij vervulde laatstelijk de functie van directeur (Chief Commercial Officer). De volledige eigendom van het Centric concern is in handen van X. X heeft werknemer op of omstreeks 28 juni 2019 per telefoon beschuldigd van het ‘lekken’ van informatie over gebeurtenissen bij Centric naar de pers, hetgeen op 29 juni 2019 geleid zou hebben tot een publicatie in NRC, en voorts dat hij samen met de voormalige CEO en de ex-partner van X tegen hem zou samenspannen, op welke gronden X het vertrouwen in werknemer heeft opgezegd. Tijdens een gesprek van 4 juli 2019 is X op zijn beschuldigingen teruggekomen en heeft X zijn excuses aan werknemer aangeboden. X is wel blijven volhouden dat hij geen vertrouwen meer in werknemer had. Werknemer is vervolgens vrijgesteld van zijn werkzaamheden en ontheven uit zijn bestuurstaak. Hij heeft hiertegen geprotesteerd, maar Centric is hier niet op ingegaan. Het e-mailaccount en de mobiele telefoon van werknemer zijn afgesloten en op 8 juli 2019 verscheen op Tubantia een publicatie waarin X aangaf dat de wegen van werknemer en Centric zullen scheiden. Op diezelfde datum is intern medegedeeld dat werknemer bij Centric vertrekt en dat hij zijn werk per direct neerlegt. Ook klanten zijn geïnformeerd. Werknemer heeft per 1 januari 2020 een nieuwe dienstbetrekking. Werknemer verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst, onder veroordeling van Centric om aan hem de transitievergoeding (€ 327.667) en een billijke vergoeding (€ 490.500) te betalen en te oordelen dat Centric geen rechten kan ontlenen aan het tussen partijen geldende concurrentie- en relatiebeding.

Oordeel

Werknemer stelt zich op het standpunt dat Centric ernstig verwijtbaar jegens hem heeft gehandeld doordat zij hem op onterechte gronden op non-actief heeft gesteld en ook overigens onzorgvuldig jegens hem heeft gehandeld, onder meer door op 8 juli 2019 dadelijk publiekelijk te maken dat hij uit zijn functie was ontheven, waarmee door haar toedoen een onomkeerbare situatie is ontstaan, welke van dien aard is dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet eindigen. De kantonrechter is van oordeel dat dit standpunt juist is en overweegt daartoe het volgende. Centric heeft werknemer ten onrechte beschuldigd van ‘lekken’ naar de pers en samenspannen tegen X. Voor deze beschuldigingen had en heeft zij geen bewijs. Aldus was er geen aanleiding het vertrouwen in werknemer op te zeggen. Voorts is niet vast komen te staan dat werknemer in strijd met de instructies (van X) een contract met DNB heeft gesloten. Ook hieraan kan Centric geen argumenten ontlenen die haar tot de conclusie heeft mogen leiden dat werknemer niet meer te vertrouwen was. Ook het laten aannemen van de zus van werknemer, waarvan niet is gebleken dat dit op enigerlei wijze nadelig is voor Centric, kan niet tot die conclusie leiden. Vanwege het ernstig verwijtbaar handelen van Centric kan werknemer aanspraak maken op de transitievergoeding, die wordt vastgesteld op een bedrag van € 327.667 bruto. Ook kan hij aanspraak maken op een billijke vergoeding. Bij de bepaling van de hoogte van die vergoeding is rekening gehouden met het inkomen dat werknemer in zijn nieuwe dienstbetrekking is gaan verdienen, de mate waarin Centric een verwijt kan worden gemaakt van het eindigen van de arbeidsovereenkomst, de transitievergoeding en de door werknemer geleden schade. De billijke vergoeding wordt vastgesteld op een bedrag gelijk aan drie brutomaandsalarissen, te weten € 69.272,73 bruto. Aangezien Centric ernstig verwijtbaar heeft gehandeld wordt voorts bepaald dat zij geen rechten kan ontlenen aan het overeengekomen concurrentie- en relatiebeding.