Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 8 maart 2019
ECLI:NL:RBMNE:2019:6464
Feiten
Werknemer is sinds 1 januari 1999 in dienst van (de rechtsvoorganger van) werkgeefster. Werkgeefster verzoekt thans de arbeidsovereenkomst met werknemer te ontbinden op de g-grond. Zij voert daartoe aan dat tussen partijen verschil van inzicht is ontstaan over de wijze waarop werknemer invulling moet geven aan de door hem uit te voeren taken. Werknemer betwist dit niet, maar benadrukt dat hij zich steeds naar behoren voor zijn werk heeft ingezet en dat hem van de ontstane situatie geen verwijt treft.
Oordeel
Op grond van wat er over en weer is aangevoerd, is de kantonrechter van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van een redelijke grond voor opzegging, en daarmee voor ontbinding, van de arbeidsovereenkomst van partijen. Het verzoek wordt daarom ingewilligd. Partijen hebben de kantonrechter verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden met ingang van 1 juni 2019. Aangezien deze datum niet vroeger ligt dan de wettelijk voorgeschreven datum is er geen bezwaar tegen toekenning van dit deel van het verzoek. Partijen zijn het er verder over eens dat werknemer aanspraak heeft op een beëindigingsvergoeding van € 30.000 bruto, waarin de wettelijke transitievergoeding is begrepen. Werkgeefster wordt veroordeeld tot betaling van die vergoeding. De proceskosten worden gecompenseerd.