Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 4 februari 2020
ECLI:NL:RBMNE:2020:793
Feiten
Werkneemster is vanaf 4 juni 2018 werkzaam voor werkgeefster als tandartsassistente op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Vóór 4 juni 2018 is werkneemster ook werkzaam geweest voor werkgeefster, in de periode van 1 augustus 2016 tot 31 juli 2017, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die na afloop niet is voortgezet. Werkneemster heeft op 22 augustus 2019 aan haar praktijkmanager gevraagd of zij vroege dienst mocht werken, hetgeen is afgewezen. Werkneemster heeft begrepen dat er een afspraak was met een andere assistente, B, om haar in te roosteren op vroege diensten. Op 28 augustus 2019 heeft werkneemster om uitleg gevraagd over het inroosteren, omdat er volgens B geen afspraak over het vroeg inroosteren zou zijn. Tijdens dit gesprek ontstond een woordenwisseling waarna de praktijkmanager tegen werkneemster heeft gezegd dat het klaar is en ze kan gaan. Op 29 augustus 2019 heeft er op verzoek van werkneemster een gesprek plaatsgevonden met de praktijkmanager en de eigenaresse van de praktijk. De eigenaresse heeft later die dag aangegeven dat werkgeefster blijft bij het ontslag op staande voet en dat de praktijkmanager het verder zou afhandelen. Het ontslag is per brief bevestigd, waarin is opgenomen dat de reden voor het ontslag is dat werkneemster structureel geen gevolg geeft aan redelijke voorschriften (roosterindelingen) en niet wil meewerken aan een normale omgang met collega’s. Aangeboden is om het dienstverband te beëindigen door middel van een vaststellingsovereenkomst. Werkneemster is onderhavige procedure gestart en verzoekt (onder meer) vernietiging van de opzegging en wedertewerkstelling.
Oordeel
De kantonrechter is van oordeel dat het ontslag onverwijld is gegeven. Hoewel dit op 28 augustus 2019 niet in precieze woorden is uitgedrukt (werkneemster was weggestuurd met de mededeling ‘het is klaar, je kunt gaan’) moet het voor werkneemster duidelijk zijn geweest dat de woordenwisseling met stemverheffing de dringende reden voor het ontslag was.
Dringende reden
Werkgeefster heeft gesteld dat werkneemster zich al eerder had misdragen en dat zij een waarschuwing had gekregen. Telkens is sprake geweest van stemverheffingen, uitschelden en/of een dreigende lichaamshouding door werkneemster. De kantonrechter oordeelt dat deze feiten, namelijk de stem verheffen en schreeuwen tegen de praktijkmanager, dreigend gaan staan voor de praktijkmanager, in aanwezigheid van collega’s en op gehoorsafstand van patiënten, een dringende reden opleveren. Dat werkgeefster heeft aangeboden een getuigschrift en een maandsalaris mee te geven, doet aan de dringendheid niet af. De verzoeken worden afgewezen.