Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 26 maart 2020
ECLI:NL:RBNNE:2020:1406
Feiten
Werknemer is op 1 februari 1995 in dienst getreden bij de Rijksuniversiteit Groningen (hierna: de RUG). In 2003 werd hij bevorderd tot universitair hoofddocent IBIO van de Faculteit der Letteren. Sinds 1 april 2012 vervult hij de functie van hoogleraar 2 in de leerstoel Globalisation Studies and Humanitarian Action. Door meerdere Europese universiteiten wordt gezamenlijk de masteropleiding NOHA aangeboden. De jaarlijks door de EU verstrekte subsidiegelden worden door NOHA AISBL verdeeld over de deelnemende universiteiten. In 2014 werd werknemer voorzitter van het bestuur van NOHA AISBL. Op 9 juli 2014 heeft werknemer, zonder medeweten van de RUG, de Stichting NOHA Groningen (hierna: SNG) opgericht. De geldstromen vanuit NOHA AISBL liepen daarna via SNG. Bij brief van 11 maart 2019 informeerde werknemer het faculteitsbestuur over oprichting van de SNG. In reactie hierop heeft de RUG werknemer op non-actief gesteld met behoud van bezoldiging. De RUG heeft aan Ernst & Young Forensic & Integrity Services (hierna: EY) de opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de financiële stromen rond SNG. In het rapport van EY is vermeld dat door NOHA AISBL over de jaren 2014 tot maart 2019 aan SNG 1,4 miljoen euro is uitgekeerd, welk geld bedoeld was voor de RUG. Op 16 januari 2020 is er in NRC een interview gepubliceerd met de bestuursvoorzitter van de RUG waarin onder meer staat dat een hoogleraar globalisering en humanitaire hulp en twee van zijn medewerkers voor 1,2 miljoen euro hebben gefraudeerd. De RUG verzoekt onder meer ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond.
Oordeel
Het incidentele verzoek ex artikel 843a Rv
Het verzoek van werknemer tot het ontvangen van specifieke stukken is gestoeld op twee gronden, te weten dat hij de gegevens nodig heeft voor het leveren van het bewijs van zijn stelling dat de RUG wist dan wel kon weten van het bestaan van SNG en voor het leveren van het bewijs van zijn stelling dat de schade die de RUG stelt te hebben geleden veel lager is. De kantonrechter komt tot de conclusie dat werknemer geen rechtmatig belang heeft bij de verzochte producties in het kader van de onderhavige procedure. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat op basis van hetgeen thans vaststaat in deze ontbindingsprocedure een oordeel kan worden gegeven. Het incidentele verzoek ex artikel 843a Rv zal daarom worden afgewezen.
Ontbindingsverzoek
Niet in geschil is dat werknemer een grote staat van dienst heeft en dat hij gedurende zijn 25-jarig dienstverband veel heeft betekend voor de RUG. Deze staat van dienst neemt echter niet weg dat werknemer beslissingen heeft genomen en uitgevoerd die zodanig indruisen tegen de belangen van de RUG, dat van de RUG in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Naar het oordeel van de kantonrechter levert hetgeen door de RUG naar voren is gebracht een redelijke grond voor ontbinding ex artikel 7:669 lid 3 onder e BW op. Daartoe wordt het volgende overwogen. Vast staat dat: (1) werknemer, zonder de RUG daar op dat moment in te kennen, in augustus 2014 SNG heeft opgericht en vanaf deze datum tot maart 2019 NOHA-gelden die voor de RUG bedoeld waren op de bankrekening van SNG heeft laten bijschrijven; (2) SNG op briefpapier van de RUG meerdere malen betalingsverzoeken heeft gedaan aan Texas University, dat in deze verzoeken de bankgegevens van SNG staan vermeld en dat sommige van deze verzoeken zijn ondertekend door werknemer; (3) op 26 juni 2017 een overeenkomst is gesloten tussen GSG en RANEPA, dat in die overeenkomst het bankrekeningnummer van SNG staat vermeld, dat die overeenkomst namens de RUG is ondertekend door werknemer en dat daarbij gebruik is gemaakt van een stempel van de faculteit Letteren van de RUG. Door de handelwijze van werknemer is het naar het oordeel van de kantonrechter voor de RUG niet dan wel nauwelijks mogelijk om achteraf na te gaan of het geld dat door SNG is ontvangen op een verantwoorde wijze is uitgegeven. SNG heeft bovendien geen jaarrekeningen opgemaakt en het onderzoek van EY om een beeld van de geldstromen te krijgen heeft nota bene negen maanden geduurd. De stelling van werknemer dat het financiële toezicht door de RUG gebrekkig is geweest waardoor een en ander heeft kunnen gebeuren, doet daaraan naar het oordeel van de kantonrechter niet af. De kantonrechter verwijst in dat verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 augustus 2013 (ECLI:CRVB:2013:1633) met betrekking tot een soortgelijk verweer. Die uitspraak is weliswaar gedaan in het ambtenarenrecht van vóór 1 januari 2020, maar is ook op de onderhavige zaak van toepassing nu werknemer nog steeds ambtenaar is. Door het oprichten van SNG en het ombuigen van de geldstromen heeft werknemer verder de mogelijkheid aan de RUG onthouden om zelf te beslissen over de wijze waarop de gelden voor het NOHA-programma zouden worden besteed. Bij dit alles heeft werknemer zich bovendien onvoldoende rekenschap gegeven van het feit dat de RUG ook kosten heeft moeten maken voor het NOHA-programma, die nu zijn gefinancierd uit de algemene middelen van de faculteit terwijl de financiële situatie van de faculteit slecht was. De kantonrechter is van oordeel dat de handelwijze van werknemer met betrekking tot SNG zeer laakbaar en daarom ernstig verwijtbaar is. Dat werknemer een en ander niet heeft gedaan om zichzelf te bevoordelen of de RUG te benadelen, maakt dat niet anders. Niet onaannemelijk is dat een groot deel van de inkomsten van SNG zijn aangewend voor het NOHA-programma. Werknemer is in feite het slachtoffer geworden van zijn enorme gedrevenheid voor zijn vak en van de door hem ervaren bureaucratie binnen de RUG. Daardoor heeft hij keuzes gemaakt die hij niet had moeten maken. In zijn functie van hoogleraar tevens voorzitter van een afdeling en cluster binnen de faculteit had werknemer kunnen en moeten beseffen dat zijn handelwijze niet door de beugel kan. Dit heeft werknemer ter zitting ook erkend. Er zijn berichten verschenen in de media. Via internet is eenvoudig te achterhalen dat het werknemer betrof. Daardoor is werknemer meer in zijn eer in goede naam aangetast dan strikt noodzakelijk was. De aanpak van de RUG doet echter niets af aan het als ernstig verwijtbaar gekwalificeerde handelen van werknemer. De slotsom is dat de kantonrechter het verzoek van de RUG om de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de e-grond zal toewijzen.