Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 11 februari 2020
ECLI:NL:RBLIM:2020:1040
Feiten
Werkneemster is in dienst van werkgeefster. Op 13 mei 2014 heeft werkneemster zich ziek gemeld en per 10 juni 2014 ontving werkneemster een volledige WAO-uitkering, waarmee de loondoorbetalingsverplichting voor werkgeefster op 10 juni 2016 is gestopt. Bij brief van 12 november 2019 heeft werkneemster werkgeefster verzocht haar arbeidsovereenkomst, onder toekenning van een transitievergoeding, te beëindigen. Op 19 december 2019 heeft werkgeefster werkneemster bericht dat zij daartoe niet bereid is. Werkneemster heeft werkgeefster op 31 december 2019 tot – onder meer – ontbinding van de arbeidsovereenkomst in kort geding gedagvaard. Werkneemster vordert in kort geding werkgeefster te bevelen tot instemming van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst of de arbeidsovereenkomst op te zeggen, een en ander onder toekenning van een transitievergoeding van € 28.937,50 bruto.
Oordeel
Werkneemster stelt zich kort gezegd op het standpunt dat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Gelet op de wetswijziging per 1 januari 2020 – waarbij de tijdelijke hogere transitievergoeding voor oude werknemers komt te vervallen (art. 7:673a BW) – heeft zij er belang bij dat werkgeefster het dienstverband in 2019 zal beëindigen, aldus werkneemster. Het verweer van werkgeefster, dat werkneemster geen spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft omdat het bepaalde in artikel 7:673a BW krachtens het overgangsrecht ook nog van toepassing is als het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor 1 januari 2020 is ingediend, treft doel. Onweersproken staat immers vast dat werkneemster bij brief van 12 november 2019 werkgeefster heeft verzocht haar arbeidsovereenkomst onder toekenning van een transitievergoeding te beëindigen, dat werkgeefster op 19 december 2019 werkneemster berichtte dat zij niet bereid is de transitievergoeding te betalen omdat werkgeefster bang is dat het UWV het daarmee gepaard gaande bedrag niet zal compenseren en dat de vordering van werkneemster tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst dateert van 31 december 2019. Met inachtneming hiervan en van de antwoorden op de prejudiciële vragen door de Hoge Raad op 8 november 2019 (zie AR 2019-1182) – waarnaar beide partijen verwijzen – stond de rechtspositie van werkneemster (al) op 19 december 2019 vast. Verder heeft werkneemster haar rechtspositie nog veilig gesteld door werkgeefster op 31 december 2019 voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst te dagvaarden. Daarbij komt dat het uitvoerige debat tussen partijen over de datum indiensttreding van werkneemster bij werkgeefster, die de hoogte van de transitievergoeding kan beïnvloeden, zich niet leent voor beoordeling in kort geding. De stelling van de gemachtigde van werkneemster, dat intern (bij D.A.S.) is besloten om vorderingen als de onderwerpelijke door middel van een kortgedingprocedure aanhangig te maken, komt dan ook voor haar rekening en risico en maakt voormeld oordeel niet anders. Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van werkneemster worden afgewezen.