Naar boven ↑

Rechtspraak

Werknemer heeft herhaaldelijk niet meegewerkt aan zijn re-integratie. UWV heeft werknemer dan ook terecht als verwijtbaar werkloos aangemerkt, zodat de WW-uitkering terecht niet tot uitbetaling is gekomen.

Feiten

Appellant is voor 40 uur per week werkzaam als industrieel schoonmaker. Op 9 oktober 2015 meldt hij zich ziek, onder meer wegens klachten ten gevolge van COPD en longemfyseem. Volgens de bedrijfsarts van werkgeefster is appellant niet volledig arbeidsongeschikt, en is appellant in staat om in aangepast werk volgens een opbouwschema te hervatten. Werkgeefster doet appellant vervolgens een re-integratievoorstel, in lijn met voormeld advies van de bedrijfsarts. Appellant acht zich echter niet in staat dit werk te doen: volgens hem was hij in verband met door hem gebruikte medicatie niet in staat de ongeveer 55 km naar zijn werk met de auto af te leggen. Op 18 oktober 2016 geeft werkgeefster appellant een officiële waarschuwing in verband met het niet meewerken aan zijn re-integratie. Op 20 oktober 2016 vraagt werkgeefster bij UWV een deskundigenoordeel aan met betrekking tot het werkaanbod. Dit deskundigenoordeel luidt in het voordeel van werkgeefster. Wanneer appellant wederom niet aan zijn re-integratieverplichtingen voldoet, verzoekt werkgeefster de kantonrechter op 14 december 2016 om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, nu appellant al enkele maanden zonder deugdelijke grond niet voldoende meewerkte aan zijn re-integratie. Bij beschikking van 9 februari 2017 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang ontbonden. Daarbij heeft de kantonrechter geoordeeld dat sprake is van ernstig verwijtbaar nalaten aan de zijde van appellant, zodat aan werknemer geen transitievergoeding en billijke vergoeding zijn toegekend. Op 2 maart 2017 vraagt appellant een WW-uitkering aan, die niet tot uitbetaling komt, nu volgens UWV sprake is van verwijtbare werkloosheid. Het bezwaar en beroep tegen dit besluit zijn beide ongegrond verklaard.

Oordeel

De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Artikel 24 lid 1 aanhef en onder a WW legt de werknemer de verplichting op te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Volgens artikel 24 lid 2 aanhef en onder a WW is de werknemer verwijtbaar werkloos geworden als aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 7:678 BW en de werknemer ter zake daarvan een verwijt kan worden gemaakt. In zijn uitspraken van 7 november 2018 (onder meer ECLI:NL:CRVB:2018:3467) heeft de Raad een nieuw beoordelingskader geformuleerd voor artikel 24 lid 2 aanhef en onder a WW. Voor de vraag of er sprake is van verwijtbare werkloosheid dient een materiële beoordeling plaats te vinden van de vraag of aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. Daarbij is artikel 7:678 BW de maatstaf en moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. In de onderhavige kwestie geldt dat appellant, ondanks het oordeel van de bedrijfsarts en het deskundigenoordeel van UWV, herhaaldelijk heeft geweigerd om te hervatten in hem aangeboden passende werkzaamheden. Ook was hij op verschillende momenten voor werkgeefster telefonisch onbereikbaar, zodat werkgeefster niet in staat was de situatie met hem te bespreken en tot afspraken te komen. Officiële waarschuwingen van de zijde van werkgeefster zijn zonder resultaat gebleven. Daarnaast heeft appellant enkele malen, zonder voorafgaand bericht, verzuimd gehoor te gegeven aan een schriftelijke uitnodiging. Op 2 november 2016 is appellant niet verschenen bij de bedrijfsarts en op 7 december 2016 is appellant niet verschenen voor een re-integratiegesprek met werkgeefster. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat sprake is geweest van een dringende reden, zodat de werkloosheid van appellant terecht als verwijtbaar is aangemerkt. Nu er ook geen aanwijzingen zijn dat de werkloosheid appellant niet in overwegende mate kan worden verweten, volgt uit het voorgaande dat UWV op de WW-uitkering terecht blijvend een bedrag in mindering heeft gebracht. Het hoger beroep faalt.