Rechtspraak
Feiten
Appellante is sinds 5 juni 1990 werkzaam bij werkgeefster. In de periode van 1 januari 2016 tot 1 januari 2017 geniet appellante onbetaald verlof. Zij hervat haar werkzaamheden per 1 januari 2017. De arbeidsovereenkomst eindigt met wederzijds goedvinden per 1 mei 2017. Het UWV kent een WW-uitkering toe berekend naar een dagloon van € 144,50. Daarbij is het UWV uitgegaan van een referteperiode van 1 april 2016 tot en met 31 maart 2017. Omdat appellante tot 1 januari 2017 verlof heeft genoten, stelt het UWV met toepassing van artikel 6, tweede lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit) het inkomen van appellante van de maanden april tot en met december 2016 per maand gelijk met het inkomen van de maand januari 2017. Het in de periode van januari 2017 tot en met maart 2017 opgebouwde bedrag aan eindejaarsuitkering is niet meegenomen bij de bepaling van het dagloon, omdat dit pas na de referteperiode is uitbetaald en als SV-loon is verantwoord. Zowel het bezwaar als beroep wordt ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het UWV de niet in de referteperiode genoten eindejaarsuitkering terecht niet in de berekening van het dagloon heeft meegenomen. Bij de vaststelling van het dagloon wordt op grond van artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit niet uitgegaan van het opgebouwde bedrag aan eindejaarsuitkering, maar van het bedrag dat in de referteperiode is genoten. De besluitgever heeft er bewust voor gekozen om eventueel opgebouwd extra periodiek salaris, zoals een eindejaarsuitkering, niet mee te nemen in de dagloonberekening zolang dat niet is uitbetaald in de referteperiode. Noch het Dagloonbesluit, noch de WW biedt volgens de rechtbank ruimte om het dagloon van appellante op een andere wijze te berekenen dan is gedaan door het Uwv.
Oordeel
De Centrale Raad van Beroep oordeelt als volgt. Niet in geschil is dat het UWV bij de vaststelling van het dagloon terecht is uitgegaan van de referteperiode van 1 april 2016 tot en met 31 maart 2017. Evenmin is in geschil dat het UWV bij de vaststelling van het dagloon op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan de wet- en regelgeving. Gelet op wat in hoger beroep is aangevoerd, wordt als volgt overwogen. Hieruit blijkt dat de besluitgever bewust voor een situatie waarin verlof is genoten in de referteperiode een uitzondering heeft willen maken op artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit en daarvoor in artikel 6 een uitgewerkte regeling heeft getroffen. In het geval zoals dat van appellante, worden de aangiftetijdvakken waarin verlof is genoten op grond van artikel 6, tweede lid, van het Dagloonbesluit vervangen door het aangiftetijdvak direct na afloop van het verlof, in dit geval dus januari 2017. Uit de hiervoor aangehaalde passages uit de nota van toelichting volgt dat de besluitgever er bewust voor heeft gekozen om alleen in de situatie waarin in de referteperiode geen vervangend aangiftetijdvak aanwezig is dat aan de vereisten voldoet, uit te gaan van het overeengekomen loon. Nu bij appellante wel een vervangend aangiftetijdvak in de referteperiode aanwezig is dat aan de vereisten voldoet, kan artikel 6, derde lid, niet aan de orde zijn. De besluitgever heeft ook niet voorzien in een uitzondering op de hoofdregel van artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit dat (alleen) het bedrag van de eindejaarsuitkering wordt meegenomen bij de dagloonvaststelling voor zover dat in de referteperiode is uitbetaald. Gelet op het voorgaande kan de beroepsgrond dat de dagloonberekening in de situatie van appellante niet in overeenstemming is met de bedoeling van de besluitgever niet slagen.