Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 6 mei 2020
ECLI:NL:RBMNE:2020:1631
Feiten
Werknemer is op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar per 1 september 2018 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) werkgeefster in de functie van Chauffeur Nationaal. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen (hierna: de cao) van toepassing verklaard. De arbeidsovereenkomst is op 1 september 2019 geëindigd. Het laatstverdiende salaris van werknemer bedroeg € 2.670,89 bruto exclusief vakantiebijslag, onregelmatigheidstoeslag en overwerk. Op 7 augustus 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen werknemer en werkgeefster en heeft werkgeefster aan werknemer gemeld dat de tijdelijke arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. Bij brief van 5 september 2019 heeft werknemer aan werkgeefster kenbaar gemaakt dat hij aanspraak maakt op de aanzegvergoeding van artikel 7:668 lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW), nu hij tot dat moment nog geen schriftelijke bevestiging heeft ontvangen van het einde van de tijdelijke arbeidsovereenkomst. Namens werkgeefster is per brief van 9 september 2019 aan werknemer bericht dat werkgeefster heeft aangezegd in het gesprek van 7 augustus 2019. Nu dit zeven dagen te laat is gebeurd, zal zij aan werknemer een vergoeding ter hoogte van het salaris voor zeven kalenderdagen betalen. Werkgeefster heeft een bedrag van € 614,28 bruto aan werknemer betaald. In de tussenbeschikking (ECLI:NL:RBMNE:2020:1682) heeft de kantonrechter geoordeeld dat bij de berekening van de vergoeding in verband met de schending van de aanzegplicht bij de vaststelling van het gemiddelde aantal arbeidsuren per maand zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding (hierna: het Besluit) tevens rekening moet worden gehouden met gewerkte overuren. Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat uit het Besluit volgt dat toeslagen en vakantiebijslag niet meetellen en dat uit de Regeling looncomponenten en arbeidsduur volgt dat evenmin rekening wordt gehouden met de periode waarover verlof is genoten. In haar antwoordakte wijst werkgeefster er terecht op dat op grond van de Regeling ook perioden van ziekte niet in aanmerking worden genomen. Partijen komen elk tot een ander nog na te betalen eindbedrag.
Oordeel
Nu sprake is van een wisselende arbeidsduur moet op grond van artikel 2 lid 1 van het Besluit het bruto-uurloon worden vermenigvuldigd met het gemiddelde aantal werkuren per maand. Omdat in de tussenbeschikking is beslist dat rekening moet worden gehouden met de extra beloning van 30% respectievelijk 50% voor overwerk is deze berekening niet geschikt om het gemiddelde maandinkomen van het laatste jaar van het dienstverband te berekenen. Anders dan partijen in hun berekening hebben gedaan is het naar het oordeel van de kantonrechter eenvoudiger – en (even goed) in overeenstemming met de strekking van het Besluit en de Regeling – om te berekenen wat werknemer in totaal in het jaar voorafgaand aan het einde van de dienstbetrekking heeft verdiend, met uitzondering van toeslagen, vakantiebijslag en loon tijdens verlof of ziekte. De uitkomst dient vervolgens herleid te worden naar een maandbedrag. Daarbij dient het jaarloon niet gedeeld te worden door 12 (maanden) omdat perioden van verlof en arbeidsongeschiktheid niet meetellen en werknemer dus niet de volle 12 maanden heeft gewerkt. Werknemer heeft in maart 2019 24 uur (dus 3 dagen) verlof genoten en hij is in februari 2019 16 uur (dus 2 dagen) arbeidsongeschikt geweest. In totaal gaat het dus om 5 dagen. Omdat 2019 261 werkdagen heeft, moet het jaarsalaris niet worden gedeeld door 12 maar door 256/261 x 12 = 11,77.